Gods woorden brachten me ertoe getuigenis af te leggen

Gods woorden brachten me ertoe getuigenis af te leggen

Door Xiao Min, provincie Shandong

Ik ben geboren in een arm, achtergebleven gebied op het platteland en leidde als kind een zwaar leven in armoede. Om zo snel mogelijk een beter leven te kunnen krijgen, begon ik nadat ik getrouwd was als een waanzinnige te werken. Dit resulteerde er echter in dat ik ziek werd van het vele overwerk dat ik deed en ik van fit en gezond veranderde in iemand die gesloopt was door ziekten. Door mijn ziekten leed ik constant pijn. Ik zocht, waar ik ook maar kon, medisch advies en probeerde allerlei medische behandelingen. Dit leidde ertoe dat ik heel veel geld uitgaf, maar mijn ziekten genazen maar niet. In het voorjaar van 1999 predikten twee zusters me het evangelie van het werk van de laatste dagen van Almachtige God. Door de woorden van Almachtige God te lezen, zag ik het gezag en de kracht van Gods woorden, wist ik dat ze onmogelijk door een menselijk wezen konden zijn uitgesproken, en besefte ik dat de woorden van Almachtige God inderdaad de stem van God zijn. Ik raakte er absoluut van overtuigd dat Almachtige God de wedergekeerde Heer Jezus was, en dat Hij ons van al onze pijn kan redden. Toen ik Gods woorden meer en meer ging lezen, begon ik enkele waarheden te begrijpen en kwam ik tot een grondig begrip van vele dingen in de wereld. Mijn gepijnigde, verstikte geest voelde zich bevrijd en ik begon geleidelijk te herstellen van mijn ziekten. Mijn dankbaarheid jegens God kende geen grenzen en ik begon actief het evangelie te prediken en getuigenis af te leggen van Gods werk van de laatste dagen.

Het was echter niet lang hierna dat ik drie keer achterelkaar werd gearresteerd door de CCP-regering voor het prediken van het evangelie. Elke keer dat ik werd gearresteerd, hielp Almachtige God me de vervolging van Satan te overwinnen. In 2012, tijdens het uitvoeren van mijn plicht voor de kerk, werd ik opnieuw in het hol van dat monster geworpen en werd ik door toedoen van de duivel Satan gemarteld ...

Op 13 september 2012, tegen de avond, keerde ik terug naar mijn gasthuis, parkeerde ik mijn scooter net als altijd buiten en drukte op de deurbel. Tot mijn schrik, ik had de deur nog maar nauwelijks geopend, sprongen vier forse mannen als wolven bovenop me. Ze draaiden mijn armen op mijn rug en deden me handboeien om. Daarna zetten ze me in een stoel en hielden me daar vast. Verschillende politieagenten begonnen onmiddellijk mijn tas te doorzoeken ... Geconfronteerd met dit plotselinge en woeste vertoon van geweld, verstomde ik van angst en voelde ik me als een zielig lammetje dat door wrede wolven was gevangen, zonder ook maar enige kracht om me te verzetten. Daarna namen ze me mee naar buiten en zetten me achterin een zwarte sedan. In de auto draaide de politiecommandant, die eruit zag als een zielig klein mannetje dronken van zijn eigen succes, zich om, grijnsde sluw naar me en vroeg: “Ha! Weet je hoe we je te pakken hebben gekregen?” Omdat ze bang waren dat ik zou proberen te ontsnappen hielden politieagenten me aan beide kanten vast, alsof ik een gevaarlijke crimineel was. Ik voelde zowel woede als paniek, ik had geen idee hoe de politie me zou straffen en martelen. Ik was heel erg bang dat ik niet in staat zou zijn hun marteling te doorstaan en dat ik een Judas zou worden en God zou bedriegen. Maar toen dacht ik aan Gods woorden: “Zolang jullie vaak tot mij bidden en smeken zal ik alle geloof aan jullie schenken. De machthebbers zien er misschien wreed uit aan de buitenkant, maar wees niet bang want dit is zo omdat jullie weinig geloof hebben. Zo lang jullie geloof groeit, zal niets te moeilijk zijn” (‘Hoofdstuk 75’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). De woorden van Almachtige God gaven met geloof en kracht, en ze hielpen me geleidelijk te kalmeren. Ja, dacht ik. Hoe woest en wreed deze politieagenten ook zijn, ze zijn slechts pionnen in Gods hand en ze maken deel uit van Gods orkestraties. Zolang ik bid en God aanroep met een waar hart, zal God bij me zijn en is er niets om me zorgen over te maken. Wanneer deze boosaardige politiemannen me wreed martelen en slaan, dan is dat alleen maar God die mijn geloof wil testen. Hoe ze mijn vlees ook mogen martelen, ze kunnen mijn hart er nooit van weerhouden naar God op te kijken en Hem aan te roepen. Zelfs wanneer ze mijn vlees doden, dan kunnen ze nog mijn geest niet doden, want alles wat ik ben ligt in Gods handen. Zodra ik dit had bedacht, vreesde ik Satan de duivel niet langer en nam ik me vast voor getuigenis af te leggen voor God. Ik riep daarom in mijn hart uit: “O Almachtige God! Wat ze vandaag ook met me doen, ik ben bereid het allemaal te ondergaan. Hoewel mijn vlees zwak is, wil ik in vertrouwen op u leven en Satan geen enkele kans geven misbruik van me te maken. Bescherm me alstublieft, laat me u niet verraden en laat me geen beschamende Judas worden.” Terwijl we verder reden bleef ik in mijn hart een van de lofzangen van de kerk zingen: “Door Gods heilige plan en soevereiniteit, krijg ik beproevingen bedoeld voor mij. Hoe kan ik opgeven of me proberen te verbergen? Gods glorie komt op de eerste plaats. In tijden van tegenslag, leiden Gods woorden me en wordt mijn geloof vervolmaakt. Ik ben geheel en volledig toegewijd, toegewijd aan God zonder angst voor de dood. Zijn wil komt op de eerste plaats” (‘Ik vraag alleen dat God tevreden is’ uit ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Terwijl ik stilletjes zong, vulde mijn hart zich met onuitputtelijke kracht en nam ik me vast voor te vertrouwen op de wijsheid en de kracht die God me gaf om Satan tot de dood toe te bestrijden. Zodra ze me de ondervragingsruimte hadden binnengebracht, zag ik tot mijn verrassing een zuster die dezelfde kerkelijke plicht uitvoerde als ik, de zuster uit mijn gasthuis en een kerkleider. Zij waren ook gepakt! Een van de politieagenten zag dat ik naar de zusters van mijn kerk keek en richtte zijn blik op me en gaf me een uitbrander: “Waar zit je naar te gapen? Kom hier!” Om te voorkomen dat we met elkaar zouden praten, sloot de politie ons in verschillende ondervragingsruimtes op. Ze doorzochten ruw mijn bezittingen, deden mijn riem af en fouilleerden me van top tot teen. Het voelde als een grove belediging en ik zag hoe werkelijk slecht, verachtelijk en gemeen deze demonische ondergeschikten van de CCP-regering waren! Ik voelde me woedend, maar ik moest mijn woede inslikken, want in dit hol met monsters was geen plaats voor rede. Nadat ze een nieuwe scooter hadden geconfisqueerd die van de kerk was, en de meer dan 600 yuan die ik bij me had, begonnen ze me te ondervragen. “Hoe heet je? Wat is je positie in de kerk? Wie is jullie leider? Waar zit die nu?” Ik gaf geen antwoord, dus brulde de politieagent tegen me: “Denk je dat we er niet achter komen als je het ons niet vertelt?” Je hebt geen idee waartoe we in staat zijn! Je moet weten dat we jullie kaderleden ook hebben gearresteerd!” Toen begonnen ze een paar namen op te sommen en vroegen me of ik iemand van hen kende, en bleven me ondervragen: “Waar wordt al het geld van de kerk bewaard? Vertel op!” Ik weersprak alles wat ze zeiden en sprak: “Ik ken niemand! Ik weet niets!” Toen ze zagen dat hun eerste ondervragingsronde was mislukt, besloten ze het over een andere boeg te gooien en begonnen ze me om beurten te ondervragen en te kwellen in een poging me uit te putten. De politie ondervroeg en kwelde me drie dagen en vier nachten onafgebroken. Gedurende deze moeilijke tijd riep ik oprecht God aan en Gods woorden leidden me: “Wees niet bang voor van alles en nog wat. Hoe veel moeilijkheden en gevaren je ook tegenkomt, je moet standvastig zijn tegenover mij; laat je door niets tegenhouden, zodat mijn wil kan worden uitgevoerd. Dat hoort je plicht te zijn […] Wees niet bang; wie zou je ooit tot staan kunnen brengen als ik je help? Onthoud dat! Denk daaraan! Alles wat gebeurt, is vanwege mijn goede wil en alles is onder mijn hoede” (‘Hoofdstuk 10’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Ja! Dacht ik. Almachtige God is mijn sterke toren, en met Almachtige God als mijn sterke ondersteuning heb ik niets te vrezen! Zolang ik het geloof heb om met God samen te werken, ben ik ervan overtuigd dat God me zal helpen Satans verleidingen te overwinnen en deze moeilijke tijd door te komen.

Omdat de politieagenten er de eerste dag niet in waren geslaagd de informatie van me te krijgen die ze wilden, ging hun schaamte over in woede en een leidinggevende onder hen sprak woedend tegen me: “Ik ga niet toegeven aan haar koppigheid. Martel haar!” Toen ik dit hoorde, wankelde mijn geest en begon ik bang te worden. Ik was bang dat ik al onder hun kwelling aan het bezwijken was. Ik kon alleen maar oprecht tot God roepen: “O, Almachtige God! Ik voel me op dit moment zo zwak en al mijn kracht heeft me verlaten. De politie wil me martelen en ik weet echt niet of ik standvastig kan blijven. Wees alstublieft met me een geef me kracht.” De politieagenten namen mijn handen die nog steeds achter mijn rug in handboeien zaten en hingen ze over een gebroken tafel. Daarna dwongen ze me in een halfgebukte houding te blijven staan. Ze staarden me vijandig aan en zetten me met vragen onder druk. “Waar is jullie leider? Waar is al het geld van de kerk?” Ze zaten erop te wachten dat ik zou breken onder de druk van die marteling en me aan hen zou overgeven. Nadat de boosaardige politieagenten deze marteling ongeveer een half uur hadden laten voortduren, begonnen mijn benen pijn te doen en te trillen. Mijn hart klopte hevig en mijn armen deden ook verschrikkelijk pijn. Ik was aan de grens van wat ik kon verdragen en ik voelde dat ik het geen moment langer zou kunnen volhouden. Ik riep dus in mijn hart oprecht uit: “O, Almachtige God! Red me alstublieft. Ik kan het niet langer verdragen. Ik wil u niet verraden zoals Judas. Bescherm me alstublieft.” Precies op dat moment schoten me deze woorden van God te binnen: “Achter elke stap die God in jullie verricht, zit Satans weddenschap met God. Achter dit alles vindt er een strijd plaats. […] Als God en Satan in het spirituele rijk strijd voeren, hoe kun je God dan behagen en hoe kun je standhouden in je getuigenis van Hem? Je moet weten dat alles wat er met je gebeurt een grote beproeving is. Het zijn gelegenheden waarbij God wil dat je getuigt” (‘Alleen houden van God is werkelijk geloven in God’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden deden me ontwaken en stelden me in staat te realiseren dat Satan me op deze manier kwelde om me God te laten verraden en het nastreven van de waarheid op te geven. Dit was een slag die werd uitgevochten in het spirituele rijk: het was Satan die me probeerde te verleiden en het was Gods manier om me te beproeven. Dit was hét moment waarop God wilde dat ik getuigenis aflegde. God had verwachtingen van me en er waren veel engelen die op dit moment naar me keken, net als Satan de duivel. Allen wachtten ze erop dat ik mijn positie zou aangeven. Ik kon me gewoon niet gewonnen geven en me overgeven aan Satan. Ik wist dat ik, om aan Gods wil te voldoen, moest toestaan dat Gods werk via mij werd uitgevoerd. Volgens het onveranderlijke principe was dit de plicht die ik moest uitvoeren als schepsel – dit was mijn roeping. Op dit cruciale moment zouden mijn houding en gedrag een directe impact hebben op mijn vermogen om zegevierend getuigenis te geven voor God, en ze zouden bovendien een directe impact hebben op mijn vermogen om een getuigenis te worden van Gods overwinning op Satan en van Zijn verwerven van glorie. Ik wist dat ik God geen verdriet kon doen of Hem kon teleurstellen, en ik kon niet toestaan dat de sluwe listen van Satan die me plaagden, zouden slagen. Toen deze gedachten door mijn hoofd schoten, rees er plotseling kracht op in mijn hart en sprak ik ferm: “Jullie kunnen me doodslaan, maar ik weet nog steeds niets!” Precies op dat moment kwam er een vrouwelijke politieagent de kamer binnen. Ze zag me en zei: “Snel, laat haar zakken. Wat proberen jullie te doen, haar vermoorden? Als er iets met haar gebeurt, zijn jullie verantwoordelijk!” Ik wist in mijn hart dat Almachtige God mijn gebeden had gehoord en me had beschermd op dit moment van gevaar. Toen de boosaardige politieagenten me lieten zakken, zeeg ik onmiddellijk op de grond neer. Ik kon niet staan en mijn armen en benen hadden alle gevoel verloren. Ik had nauwelijks voldoende kracht om te ademen en ik had geen enkel gevoel meer in mijn vier ledematen. Ik was op dat moment zo bang dat de tranen onophoudelijk uit mijn ogen stroomden. Ik dacht: “Ben ik nu voor de rest van mijn leven verlamd?” Desondanks lieten de politieagenten me niet gaan. De politieagenten, één aan elke kant, grepen me bij de armen, sleepten me als een lijk naar een kapotte stoel en duwden me erop. Een van de politieagenten zei hatelijk: “Als ze niet spreekt, moet je haar aan een touw ophangen!” De andere boosaardige politieagent nam heel snel een dun touw van nylon uit zijn zak en gebruikte het om mijn geboeide handen aan een verwarmingspijp op te hangen. Mijn armen werden onmiddellijk recht getrokken en mijn rug en schouders begonnen pijn te doen. De boosaardige politieagent bleef me ondervragen en vroeg: “Ga je ons vertellen wat we willen weten?” Ik gaf nog steeds geen antwoord. Ze werden zo kwaad dat ze een kop water in mijn gezicht gooiden. Ze zeiden dat ze dat deden om me wakker te maken. Tegen die tijd was ik al zo erg gemarteld dat ik geen grammetje kracht meer had en mijn ogen waren zo moe dat ik ze niet kon openen. Toen ze zagen dat ik bleef zwijgen, dwong een van de politieagenten op gemene en schaamteloze wijze met zijn handen mijn ogen open om me belachelijk te maken. Na enkele uren ondervraging en marteling te hebben ondergaan, hadden de politieagenten alle listen die ze kenden afgewerkt, maar hun pogingen me te laten praten waren opnieuw allemaal mislukt.

Toen ze zagen dat ze niets uit me konden krijgen door me te ondervragen, besloten de boosaardige politieagenten een duivels complot te beramen: ze lieten iemand die zich “ondervragingsexpert” noemde uit de stad komen om me onder handen te nemen. Ze brachten me naar een andere kamer en bevolen me op een metalen stoel te zitten. Daarna bonden ze mijn enkels strak aan de stoelpoten en mijn handen aan de armleuningen vast. Even later kwam er een elegant uitziende man met een bril binnen die een aktetas droeg. Hij glimlachte van oor tot oor naar me en, om de schijn op te wekken dat hij vriendelijk was, maakte hij de boeien los waarmee mijn handen en enkels aan de stoel vastzaten en stond hij me toe op een ledikant te gaan zitten dat tegen een muur van de kamer stond. Het ene moment schonk hij me een kop water in, dan trakteerde hij me weer op snoepgoed. Hij kwam op me af en zei met gesimuleerde vriendelijkheid: “Waarom zou je zo lijden? Je hebt al zoveel geleden, maar eigenlijk is het allemaal niet zo moeilijk. Vertel ons wat we willen weten en alles komt in orde ...” Geconfronteerd met deze nieuwe situatie wist ik niet hoe ik met God moest samenwerken. Ik bad dus snel in mijn hart tot God en riep Hem op me te verlichten en te leiden. Precies op dat moment dacht ik aan de woorden van Almachtige God: “Je moet elke beproeving doorstaan en alles wat van mij komt accepteren. Je moet volgen wat de Heilige Geest doet om je te leiden. Je moet een heldere geest hebben en de vaardigheid om dingen te onderscheiden. Je moet mensen begrijpen en niet blindelings anderen volgen, je spirituele ogen helder houden en een gedegen kennis van dingen bezitten” (‘Hoofdstuk 18’ van Uitspraken van Christus aan het begin in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden toonden me een pad van praktijk en hielpen me te realiseren dat een duivel altijd een duivel zal zijn, en dat een duivel nooit zijn demonische, zich tegen God verzettende en God hatende essentie kan veranderen. Of ze nu harde tactieken of zachte tactieken gebruiken, het is altijd hun doel me God te laten verraden en de ware weg te laten verzaken. Dankzij de waarschuwing van Gods woorden wist ik Satans sluwe listen te onderscheiden, werd mijn verstand weer helder en was ik in staat stand te houden. De ondervrager vertelde me vervolgens: “De CCP-regering verbiedt mensen in God te geloven. Als je in Almachtige God blijft geloven, zal je hele familie erbij worden betrokken en zal het gevolgen hebben voor de toekomst, de vooruitzichten op werk en de vooruitzichten op sociale ondersteuning van de kinderen in je familie. Je kunt er maar beter goed over nadenken ...” Nadat hij dit had gezegd, begon er zich binnen in me een strijd af te spelen en voelde ik me dubbel verward. Net toen ik me volkomen verloren voelde, dacht ik plotseling aan Petrus’ ervaringen toen hij met succes getuigenis aflegde voor Satan. Petrus had altijd geprobeerd God te begrijpen bij elke sluwe strik die Satan hem spande. En dus keek ik diep in mijn hart op naar God, vertrouwde ik Hem alles toe en zocht ik Gods wil. Zonder me ervan bewust te zijn, kwamen de woorden van Almachtige God in me op: “Alleen God troost deze mensheid, en alleen God zorgt dag en nacht voor deze mensheid. Menselijke ontwikkeling en vooruitgang is onscheidbaar van de soevereiniteit van God, en de geschiedenis en toekomst van de mensheid zijn onlosmakelijk met het ontwerp van God verweven. […] God alleen kent het lot van een land of natie, en God alleen beschikt over het verloop van deze mensheid” (‘God beschikt over het lot van de gehele mensheid’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden vulden me met licht. Ik dacht: Ja! God is de Schepper en ons lot als mensheid ligt in Gods handen. Satan de duivel is van het soort dat God trotseert. Wanneer ze zelfs hun eigen lot van in de hel te worden verdoemd niet kunnen veranderen, hoe kunnen ze dan ooit beslissen over het lot van de mens? Het lot van de mens is door God voorbestemd, en welk werk mijn kinderen in de toekomst ook mogen doen en wat hun vooruitzichten ook mogen zijn, wordt door God bepaald – Satan heeft geen enkele controle over deze dingen. Toen ik me dit bedacht, werd het me nog duidelijker hoe verachtelijk en schaamteloos Satan en zijn demonen zijn. Om me te dwingen God te ontkennen en te verwerpen, zette Satan verraderlijke en verachtelijke tactieken in, psychologische spelletjes die me ertoe moesten verleiden me te laten bedriegen. Zonder de tijdige verlichting en leiding van Almachtige God zou ik reeds ten val zijn gebracht en door Satan gevangen zijn genomen. Nu ik wist hoe verachtelijk en kwaadaardig Satan was, was mijn vertrouwen niet in zijn sluwe listen te trappen versterkt. Uiteindelijk wist de boosaardige politieagent het ook niet meer en had geen idee hoe hij het verder moest aanpakken. Hij vertrok dus terneergeslagen.

Op de derde dag zag de politiecommissaris in dat hij geen informatie uit me kon krijgen en ontstak in woede, waarbij hij zich over de onkunde van zijn ondergeschikten beklaagde. Hij kwam op me af en vroeg op sarcastische toon met een vreugdeloze glimlach op zijn gezicht: “Waarom heb je nog niet verteld wat je weet? Wie denk je wel dat je bent, Liu Hulan?[a] Je denkt dat we je al het allerergste hebben aangedaan en bent daarom niet bang meer, hè? Waarom komt je Almachtige God niet om je te redden? ...” Terwijl hij sprak maakte hij me bang door een klein stroomstootpistool dat knetterde en flitste met blauw licht voor m’n ogen te zwaaien. Toen wees hij op een groot stroomstootwapen dat op dat moment werd opgeladen en sprak dreigend tot me: “Zie je dat? De batterij van dit kleine stroomstootwapen is zo op. Zo meteen gebruik ik die volledig opgeladen, grote taser om je te electrocuteren, en dan zullen we eens kijken of je praat! Ik weet zeker dat je dan zult praten!” Ik keek naar het grote stroomstootwapen en raakte onwillekeurig in paniek: deze politieagent is zo wreed en duivels. Zal hij me uiteindelijk vermoorden? Zal ik deze marteling kunnen doorstaan? Zal ik door electrocutie worden gedood? Op dat moment werd mijn geest overmand door zwakte, lafheid en de pijn en hulpeloosheid die ik voelde ... Ik riep snel naar God: “O Almachtige God, hoewel mijn vlees enorm veel pijn lijdt en zo zwak is, ben ik nog steeds niet bereid Satan te geven wat hij wil. Mijn vlees is zwak en waardeloos, en ik wil alleen maar dat u mijn hart verwerft en mijn hart aanvaardt. Bescherm me alstublieft en weerhoud me ervan u te verraden en een verraderlijk Judas te worden.” Op het moment dat ik God riep, kwamen er verschillende regels uit een lofzang op Gods woorden in mijn gedachten op: “Geloof is een wankel bruggetje. Zij die stumperig aan het leven hangen, kunnen het niet oversteken, maar zij die bereid zijn hun leven op het spel te zetten, kunnen er gerust overheen gaan. Als mensen laffe of bange gedachten hebben, worden ze door Satan in de luren gelegd. Want hij is bang dat we de brug van geloof oversteken om binnen te treden in God” (‘Laat God heersen over onze gehele persoon’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Deze woorden van de Heer Jezus kwamen ook in mijn gedachten op: “Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna” (Mat. 10:28). Gods woorden lieten mijn tranen vrijelijk stromen – ik voelde me ongelofelijk ontroerd. De kracht in mijn hart was als een laaiend vuur. Zelfs wanneer ik vandaag sterf, dacht ik, wat is er te vrezen? Het is iets glorieus om voor God te sterven, en ik zal alles opgeven om tot de dood erop volgt met Satan te vechten! Op dat moment schoten me ook enkele regels van een andere lofzang van Gods woorden te binnen. “Op de weg naar Jeruzalem, voelde Jezus’ hart gekweld. Maar toch hield Hij Zijn woord, voortgestuwd naar waar Hij gekruisigd zou worden. Tenslotte werd Hij aan het kruis genageld, werd Hij een beeld van zondig vlees, het werk van verlossing voltooiend […]” (‘Volg het voorbeeld van de Heer Jezus’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Ik zong en zong in mijn hart en tranen stroomden zonder ophouden over mijn wangen. De scène van de kruisiging van de Heer Jezus Christus speelde zich voor mijn ogen af: De Heer Jezus werd bespot, beschimpt en belasterd door de farizeeën, Zijn beul sloeg Hem met een zweep met ijzer tot Hij bedekt was met snijwonden en builen, en uiteindelijk werd Hij wreed aan het kruis genageld, en toch ontsnapte Hem geen klacht ... Alles wat de Heer Jezus doorstond, onderging Hij omwille van Zijn liefde voor de mensheid, en deze liefde overwon Zijn liefde voor Zijn eigen leven. Op dat moment werd mijn hart geïnspireerd en ontroerd door Gods liefde, en ik werd vervuld van enorme kracht en gigantisch geloof. Ik was nergens bang voor en ik voelde dat het glorieus zou zijn voor God te sterven, terwijl het zijn van een Judas de grootste schande zou betekenen. Tot mijn verrassing, toen ik besloot dat ik voor God zou getuigen, zelfs als dat me mijn eigen leven zou kosten, hielp God me opnieuw te ontsnappen aan de klauwen van de dood en opende Hij een uitweg voor me. Op dat moment rende er een politieman de kamer binnen en zei: “Er zijn problemen op het stadsplein, we moeten de politiemacht mobiliseren om de onrust te onderdrukken en de openbare orde te handhaven!” De politieagent haastte zich weg. Tegen de tijd dat ze terugkwamen was het al laat op de avond en hadden ze geen energie meer om me verder te ondervragen. Ze vertelden me hatelijk: “Omdat je niet wilt praten, zullen we je naar het huis van bewaring sturen!”

Op de ochtend van de volgende dag namen de politieagenten een foto van me en hingen een vierkant bord om mijn nek waarop met een penseel mijn naam was geschreven. Ik zag eruit als een veroordeelde crimineel en werd bespot en belachelijk gemaakt door de politie. Ik had het gevoel dat ik werd onderworpen aan de diepste vernedering en ik voelde me ontzettend zwak van binnen. Ik realiseerde me dat de gesteldheid van mijn geest niet goed was en dus riep ik stilletjes snel God in m’n hart aan: “O God! Bescherm alstublieft mijn hart en stel me in staat uw wil te begrijpen en niet ten prooi te vallen aan Satans sluwe listen.” Na te hebben gebeden, schoot me helder als glas een passage uit Gods woorden te binnen: “Als geschapen wezen dien je God uiteraard te aanbidden en naar een zinvol leven te streven. […] Als menselijk wezen dien je jezelf uit te putten voor God en allerlei lijden te verduren. Je moet het beetje lijden waaraan je vandaag wordt onderworpen blijmoedig en vastberaden aanvaarden en een zinvol leven leiden […] Jullie zijn mensen die het juiste pad volgen, die naar verbetering streven. Jullie zijn mensen die opgroeien in de natie van de grote rode draak, degenen die God rechtvaardig noemt. Is dat niet het meest zinvolle leven?” (‘Praktijk (2)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden bezaten gezag en macht, ze vulden mijn hart met licht en verjoegen alle duisternis, en ze stelden me in staat de betekenis en waarde van het leven te begrijpen. Dankzij die woorden kon ik begrijpen dat het vermogen om de waarheid na te streven als een schepsel en te leven om God te aanbidden en God tevreden te stellen, het meest betekenisvolle en meest waardevolle in het leven was. Dat ik vandaag gevangen kon worden genomen en vastgezet vanwege mijn geloof in God, dat ik deze vernedering en pijn kon lijden, en mocht delen in de tegenspoed en het koninkrijk van Christus, was niet iets om me voor te schamen, maar was iets glorieus. Satan aanbidt God niet, in tegendeel, hij doet alles wat hij kan om Gods werk te verstoren en te belemmeren. En dit is wat het meest beschamend en verachtelijk is. Toen ik me dit bedacht, werd ik vervuld van kracht en blijdschap. De politieagenten zagen de glimlach op m’n gezicht, staarden me verbaasd aan en zeiden: “Waar ben je zo blij over?” Ik antwoordde luid en duidelijk: “Het is volkomen gerechtvaardigd in God te geloven en God te aanbidden. Er is absoluut niets verkeerds aan. Waarom zou ik niet blij zijn?” Onder de leiding van God was ik opnieuw in staat op God te vertrouwen en Satan te overwinnen.

Daarna werd ik naar het huis van bewaring gebracht. Op die plek was alles nog naargeestiger en angstaanjagender, en ik voelde dat ik in een soort van hel was afgedaald. Elke maaltijd bestond uit een klein, zwart stuk gestoomd brood en wat gekookte bok choy in een kom heldere soep waar een paar blaadjes groenten op dreven. Ik had de hele dag honger, mijn maag schreeuwde om eten. Desondanks moest ik werken als een lastdier, en wanneer ik mijn quotum niet haalde, werd ik geslagen of moest ik voor straf op wacht staan. Omdat deze wrede kwelling dagenlang doorging, had ik van top tot teen kneuzingen en verwondingen, en werd zelfs het lopen moeilijk, maar de bewakers bleven me dwingen zware lasten koperdraad te dragen. Vanwege dit zware werk begon mijn gekwetste rug ondraaglijk pijn te doen. Aan het einde van de dag kon ik alleen nog maar in bed kruipen. Maar ‘s nachts lieten de politieagenten me ook nog de wacht houden over de gevangenen, en dit excessieve en uitputtende werk was onmogelijk te verdragen. Op een nacht, toen ik wachtdienst had, maakte ik gebruik van de afwezigheid van de politieagenten en hurkte stilletjes neer, in de hoop een beetje te kunnen rusten. Een politieagent zag me echter op de camera in de observatiekamer en stormde onverwacht binnen en blafte me toe: “Wie heeft je verteld dat je kunt gaan zitten?” Een van de andere gevangenen fluisterde me toe: “Schiet op en bied je verontschuldiging aan, anders laat hij je op ‘het houten bed slapen.’” Hiermee bedoelde ze de marteling waarbij er een houten deur naar de cel van de gevangene wordt gebracht waarop zijn benen, voeten en polsen met een touw worden vastgemaakt. Zo blijft hij vastgebonden liggen en krijgt hij twee weken geen toestemming zich te bewegen. Toen ik dit hoorde werd ik vervuld van woede en haat, maar ik wist dat ik niet ook maar het kleinste beetje weerstand kon tonen – ik kon niet anders dan mijn woede inslikken en stil blijven. Ik vond dit soort pesterijen en martelingen moeilijk te verdragen. Die nacht lag ik op mijn ijskoude bed en huilde over de onrechtvaardigheid van dit alles, mijn hart vulde zich met klachten en eisen aan God. Ik dacht: Wanneer zal dit eindigen? Elke dag in deze hel is één dag te veel. Toen dacht ik aan Gods woorden: “Als je de significantie van het menselijk leven begrijpt en op het juiste pad van menselijk leven bent en als je je in de toekomst, hoe God ook met jou omgaat, aan Zijn orkestraties zult onderwerpen zonder enige klacht of keuze en geen eisen zult stellen aan God, dan zul je op deze manier een waardevolle persoon zijn” (‘Hoe je het laatste deel van het pad dient te bewandelen’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). Gods woorden deden me over mezelf beschaamd staan. Ik dacht eraan hoe ik altijd zei dat ik elke pijn voor God zou verdragen, dat ik God altijd in alle opzichten zou gehoorzamen, net als Petrus, hoe groot de pijn of de ontbering ook was, en dat ik geen beslissingen zou nemen of verlangens zou koesteren omwille van mezelf. Toen ik echter werd geconfronteerd met vervolging en ontbering, en ik moest lijden en de prijs moest betalen, lukte het me totaal niet mijn woorden in werkelijkheid uit te leven. Ik was vervuld van onredelijke eisen aan God en van verzet tegen God. Ik wilde alleen maar ontsnappen aan deze situatie zodat mijn vlees niet langer zou lijden – hoe kon ik ooit de waarheid en het leven verwerven die God me gaf wanneer ik dit deed? Toen pas begreep ik uiteindelijk Gods goede bedoelingen: God liet me deze ellende overkomen om mijn vastberadenheid te stalen om lijden te verdragen en me te laten leren hoe ik in mijn lijden kon gehoorzamen, zodat ik me kon onderwerpen aan Gods orkestraties en kon worden gekwalificeerd om Zijn belofte te ontvangen. Alles wat God me aandeed werd gedaan uit liefde, het werd gedaan om me te redden, en het werd gedaan om me in een werkelijk menselijk wezen te veranderen. Daarna was mijn hart bevrijd, en ik voelde me niet langer benadeeld of gepijnigd. Ik wilde me alleen maar onderwerpen aan Gods orkestraties en regelingen, oprecht met God samenwerken in deze situatie, en ernaar streven de waarheid te verwerven.

Een maand later, hoewel ze niet veel bewijs uit me hadden weten te krijgen, liet de politie me gaan. Ik kreeg echter een strafblad met de aanklacht ‘verstoring van het handhaven van de wet en deelname aan de organisatie van Xie Jiao’ wat als doel had mijn persoonlijke vrijheid te beperken. Het was me één jaar lang niet toegestaan de provincie of gemeente te verlaten en ik moest klaar staan om me bij de politie te melden wanneer ze dat wilden. Pas toen ik thuiskwam kwam ik erachter dat al de eigendommen die ik in het gasthuis had achtergelaten, waren gestolen en door de politie mee waren genomen. Daarnaast hadden de politieagenten mijn huis als rovers geplunderd en hadden ze mijn familie bedreigd door te zeggen dat ze me 25.000 yuan moesten geven voordat ze me vrij zouden laten. Mijn schoonmoeder had de schrik van de hele situatie niet aangekund en had een hartaanval gekregen. Ze was pas hersteld nadat ze in het ziekenhuis was opgenomen en daar behandeld was, wat 2.000 yuan kostte. Uiteindelijk was mijn familie gedwongen iedereen die ze kende geld te leen te vragen zodat ze 3.000 yuan voor de politie bijeen kon schrapen. Pas toen werd ik vrijgelaten. De wrede martelingen die de politieagenten me hadden toegebracht hadden tot gevolg dat mijn lichaam met vele nawerkingen te kampen had: mijn armen en benen zwellen vaak op en worden pijnlijk vanwege de ernstige druk die tijdens mijn gevangenschap op ze werd uitgeoefend. Ik kan niet eens twee en een half kilo groenten optillen of mijn kleren wassen, en ik kan volstrekt niet meer werken. De wrede vervolging die de CCP-regering me heeft laten ondergaan heeft me Satan nog meer doen haten – ik haat deze reactionaire, de hemel-tartende duivel Satan.

Door deze vervolging en ontbering te ervaren ben ik werkelijk gaan beseffen dat Gods werk echt zo praktisch en wijs is. Tijdens mijn lijden liet God de waarheid, beetje bij beetje tot me doordringen, en stelde me zo in staat de duisternis achter me te laten, te ontsnappen aan de dood, en de vrijheid en bevrijding in de waarheid te verwerven. Zo leidde God me om Satan te overwinnen, telkens weer opnieuw, door middel van de vervolging en ontberingen die Satan me toebracht. Hij liet me de bewatering en voorziening van Zijn woorden verwerven, de waarheid begrijpen en onderscheidingsvermogen ontwikkelen, en Hij staalde mijn wil, vervolmaakte mijn geloof, leerde me naar Hem op te zien en op Hem te vertrouwen, en geleidelijk groeide en rijpte mijn leven. Ik begon werkelijk te zien dat God reeds zegevierend is en dat Satan al verslagen is, net als bezongen wordt in deze hymne van Gods woorden: “Bewijs van het instorten van de rode draak is zichtbaar in de rijping van het volk. Het tekent de ondergang van de vijand. Dit is wat het betekent om te strijden, om te strijden. Wanneer de hele mensheid God zal kennen in het vlees, wanneer ze in in staat zijn Zijn daden te zien in het vlees, dan zal het hol van de grote rode draak tot as vergaan en zonder spoor verdwijnen, voor altijd” (‘De grote rode draak stort in terwijl Gods volk groeit’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’).

Voetnoot:

a. Liu Hulan was een spionne die als tiener voor de communisten werkte tijdens de Chinese Burgeroorlog in de jaren 40. Ze overleefde de oorlog niet, maar werd later door de Communistische Partij ten voorbeeld gesteld als een symbool van opoffering en moed, en als heldin geprezen.

De bijbelteksten zijn ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap.

Gods woorden brachten me ertoe getuigenis af te leggen