306 Geschapen door u, behorend tot u

306 Geschapen door u, behorend tot u

I

Door vele ups en downs, met ontelbare veranderingen.

Weggeblazen en doorweekt door regen, volg ik u op de hielen.

Gevaar en ontbering is de smederij van liefde en passie.

Mijn getroffen hart aanbidt u met eeuwige liefde.

Hoe vaak is de winter overgegaan in de lente?

Bitter en zoet, stuk voor stuk worden ze genoten.

De herfstwind stuur ik weg, ik verwelkom de lentebloemen.

Oh, de grillen van een soldatenleven, ik ken uw hart.

U leed toen u nederig deze wereld betrad.

Gehavend door wind en regen, niemand had meelij met u.

Veracht door de massa, te pijnlijk voor woorden.

Toch kon de begeerte van uw hart worden gezien in uw woorden.

Uw woorden des levens bewateren mijn hart,

tot de diepste diepte, tot de diepste diepte.

Mijn hart, keert zich tot het goede, aanbidt u.

Wanneer wordt mijn hart één met het uwe?

Ik ben geschapen door u en ik behoor tot u.

Geloof verzaken zou een eeuwige zonde zijn.

Ik zal de tranen vergoten door uw gewonde hart wegvegen.

Om uw wens in te willigen, geef ik mijn hart aan u.

II

Als u weg bent, is het lastig te weten wanneer u terug zal keren.

Een scheiden scherp als de dood, ik huil pijnlijke tranen.

Ik talm, wil niet weggaan, mijn hart lijkt aan flarden.

Mijn ogen turen gretig, ik verlang naar uw terugkeer.

Een wanhopige geest die ik niet kan verbergen.

Op m'n knieën voel ik spijt mijn ziel doorboren.

Een vriend zo nabij als een buur, maar toch mijlenver.

Een armzalig offer dat ik u aanbied.

Als we ontmoeten, lacht u me toe.

Uw woorden des levens bewateren mijn hart,

tot de diepste diepte, tot de diepste diepte.

Mijn hart, keert zich tot het goede, aanbidt u.

Wanneer wordt mijn hart één met het uwe?

Ik ben geschapen door u en ik behoor tot u.

Geloof verzaken zou een eeuwige zonde zijn.

Ik zal de tranen vergoten door uw gewonde hart wegvegen.

Om uw wens in te willigen, geef ik mijn hart aan u.

306 Geschapen door u, behorend tot u