131 Ik geef mijn liefde aan God

131 Ik geef mijn liefde aan God

1 Toen God verscheen om in het vlees te werken, onderging Hij een grote vernedering. Nederig en verborgen drukte Hij de waarheid alleen uit om de mens te redden. Maar toen ik Gods stem hoorde, herkende ik Hem niet; ik volgde de ouderlingen en voorgangers door Zijn werk te ontkennen en er een oordeel over uit te spreken. God strafte mij niet voor mijn overtredingen, maar Hij verdroeg mijn ongehoorzaamheid en klopte op mijn deur. Toen ik Gods ontferming over mij zag, voelde ik ondragelijke schaamte; ik was echt niet geschikt om Gods liefde te ontvangen.

2 Gods woorden doorboren mijn hart als een scherp zwaard. Ik zie in dat mijn hoogmoed mij heeft ontdaan van al mijn verstand en menselijkheid en dat ik opvattingen en voorstellingen gebruik om de verschijning en het werk van God te veroordelen, waardoor ik heel veel gelovigen de kans ontneem om te worden gered. Wat ben ik zondig, dat ik God tegenwerk en over Hem oordeel! Ik ben Gods liefde werkelijk onwaardig en ik ben niet geschikt om voor Hem te leven. Het ervaren van Zijn oordeel heeft mij doen ontwaken en mijn hart is vervuld van spijt. Ik neem mij voor opnieuw te beginnen, om de waarheid na te jagen en God tevreden te stellen. Wat is God vriendelijk: mijn verharde hart gaat smelten. Ik geef mijn liefde aan God, en het enige wat ik vraag is dat Zijn hart vertroosting ontvangt. Hoe zwaar vervolging en tegenslag ook mogen zijn, ik zal getrouw zijn tot het einde. Ik neem mij voor een klinkend getuigenis voor God af te leggen en Hem hulde te brengen.

131 Ik geef mijn liefde aan God