638 De mens weet niet hoe hij van Gods overvloed moet genieten

638 De mens weet niet hoe hij van Gods overvloed moet genieten

1 De weelde van mijn huishouden is onuitputtelijk en onbevattelijk, maar toch is de mens nooit naar mij toegekomen om ervan te genieten. Hij is onbekwaam om er zelf van te genieten, noch kan hij zichzelf beschermen met zijn eigen inspanningen; in plaats daarvan heeft hij altijd zijn vertrouwen in anderen gesteld. Van allen die ik gadesla, heeft er niet een mij moedwillig en direct opgezocht. Ze komen allemaal tot mij, aangespoord door anderen, de meerderheid volgend, en ze zijn niet bereid de prijs te betalen of de tijd te spenderen om hun levens te verrijken. Daarom heeft niemand onder de mensen ooit in de werkelijkheid geleefd en alle mensen leven levens die zinloos zijn.

2 De weelde van mijn huishouden is onuitputtelijk en onbevattelijk, maar toch is de mens nooit naar mij toegekomen om ervan te genieten. Hij is onbekwaam om er zelf van te genieten. Door de reeds lang bestaande manieren en gebruiken van de mens zijn de lichamen van de mensen bedekt met de geur van aardse grond. Als resultaat is de mens meedogenloos geworden, ongevoelig voor de eenzaamheid van de wereld en in plaats daarvan is hij druk bezig met de taak zichzelf te amuseren op deze bevroren aarde. Het leven van de mens bevat niet de minste warmte en is verstoken van elk spoor van menselijkheid of licht – en toch heeft hij zich eraan onderworpen en een leven aangenomen zonder waarde waar hij zich doorheen haast zonder iets te bereiken.

Naar ‘Hoofdstuk 20’ van ‘Gods woorden aan het hele universum’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

638 De mens weet niet hoe hij van Gods overvloed moet genieten