279 Jobs houding jegens Gods zegeningen

279 Jobs houding jegens Gods zegeningen

I

Job geloofde in zijn hart dat al wat hij bezat

was geschonken door God en niet door zijn eigen hand.

Hij zag zijn zegeningen niet, als iets om voordeel uit te putten,

maar hield vast aan de deugdzame manier

als zijn gids voor 't leven.

Job heeft nooit gezwolgen en was nimmer uitzinnig

vanwege de zegeningen die God schonk,

hij negeerde Gods weg niet of vergat de gratie Gods

vanwege de zegeningen die hij veelvuldig ontving.

II

Job koesterde Gods zegeningen en was daar dankbaar voor.

Maar hij ging er niet in wentelen en vroeg niet om meer.

Geen handeling was gericht op 't verkrijgen van zegeningen,

niet bezorgd over 't verlies ervan, of een gebrek eraan van God, oh.

Job heeft nooit gezwolgen en was nimmer uitzinnig

vanwege de zegeningen die God schonk,

hij negeerde Gods weg niet noch vergat de gratie Gods

vanwege de zegeningen die hij veelvuldig ontving. Woo, whoa, whoa.

Job heeft nooit gezwolgen en was nimmer uitzinnig

vanwege de zegeningen die God schonk,

hij negeerde Gods weg niet noch vergat de gratie Gods

vanwege de zegeningen die hij veelvuldig ontving.

uit 'Het Woord verschijnt in het vlees'

279 Jobs houding jegens Gods zegeningen