603 Mensen letten niet op het bestaan van God

603 Mensen letten niet op het bestaan van God

1 Elke dag aanschouw ik het aangezicht van het universum, en elke dag doe ik mijn nieuwe werk onder de mensen. En toch zijn alle mensen ‘onbaatzuchtig bezig,’ en niemand schenkt aandacht aan de dynamiek van mijn werk en de staat van dingen buiten zichzelf, valt niemand op. Het is alsof mensen leven in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde die ze zelf hebben gecreëerd, en ze willen dat niemand anders ingrijpt. Ze zijn allemaal bezig met het werk van zich vermaken, ze zijn allemaal onder de indruk van zichzelf wanneer ze hun ‘fysieke oefeningen’ doen. Is er echt geen plaats voor mij in het hart van de mensen? Ben ik echt niet in staat om de Heerser te zijn in het hart van de mens? Heeft de geest van de mens hem echt verlaten? Wie heeft er ooit de woorden van mijn mond zorgvuldig overwogen? Wie heeft ooit het verlangen in mijn hart gemerkt? Is het hart van de mens echt overgenomen door iets anders? Er zijn veel momenten geweest dat ik het uitschreeuwde naar de mens, en heeft er desondanks iemand ooit mededogen gevoeld?

2 Ik ben zo vaak teleurgesteld door de mens, ik ben zo vaak kwaad geworden over zijn zwakke prestaties, en ik ben zo vaak gekrenkt door zijn zwakheid. Waarom roep ik geen spiritueel gevoel op in het hart van de mens? Waarom wek ik geen liefde op in het hart van de mens? Waarom is de mens niet bereid om mij te behandelen als zijn oogappel? Is het hart van de mens niet van hemzelf? Heeft iets anders verblijf genomen in zijn geest? Waarom jammert de mens zonder ophouden? Waarom is hij ellendig? En als hij verdrietig is, waarom negeert hij dan mijn bestaan? Steek ik hem? Heb ik hem opzettelijk achter gelaten?

Naar ‘Hoofdstuk 25’ van ‘Gods woorden aan het hele universum’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

603 Mensen letten niet op het bestaan van God