641 Wie heeft ooit Gods hart begrepen?

641 Wie heeft ooit Gods hart begrepen?

1 God heeft Zijn alles aan jullie gegeven, zonder iets achter te houden, zonder ooit enige wereldse glorie, de warmte onder mensen en de liefde onder mensen of alle zegeningen onder mensen te genieten. Mensen zijn zo gemeen tegen Hem, Hij heeft nooit alle rijkdommen op aarde genoten, Hij wijdt heel Zijn oprechte, bevlogen hart aan de mens toe, Hij heeft Zich helemaal aan de mensheid toegewijd – en wie heeft Hem ooit warmte geschonken? Wie heeft Hem ooit comfort geboden? De mens heeft alle druk op Hem gelegd, hij heeft alle tegenspoed bij Hem neergelegd, hij heeft Hem met de onfortuinlijkste ervaringen onder de mensen belast, hij verwijt Hem voor alle onrecht en Hij heeft het stilzwijgend aanvaard. Heeft Hij ooit tegen iemand geprotesteerd? Heeft Hij ooit van iemand enige beloning gevraagd? Wie heeft er ooit enige sympathie jegens Hem getoond?

2 Wie van jullie heeft als normaal mens geen romantische kindertijd gehad? Wie heeft geen kleurrijke jeugd gehad? Wie heeft er niet de warmte van dierbaren? Wie is er zonder de liefde van familieleden en vrienden? Wie is er zonder het respect van anderen? Wie is er zonder een warm gezin? Wie is er zonder de troost van vertrouwelingen? En heeft God hier ooit iets van genoten? Wie heeft Hem ooit enige warmte geschonken? Wie heeft Hem ooit een greintje comfort geboden? Wie heeft Hem ooit enige menselijke moraliteit getoond? Wie is er ooit tolerant jegens Hem geweest? Wie heeft Hem in moeilijke tijden ooit bijgestaan? Wie heeft er ooit het zware leven met Hem doorstaan? De mens heeft zijn eisen aan Hem nooit bijgesteld; hij stelt gewoon zonder enige scrupules eisen aan hem. Hoe kan de mens, die in het vlees leeft, de vleesgeworden God die van de Geest is gekomen als God behandelen? Wie onder de mensen kan Hem kennen?

3 Waar is de waarheid onder de mensen? Waar is echte rechtvaardigheid? Wie is er in staat om de gezindheid van God te kennen? Wie kan met de God in de hemel wedijveren? Geen wonder dat niemand God gekend heeft toen Hij onder de mensen is gekomen en dat Hij verworpen is. Hoe kan de mens het bestaan van God tolereren? Hoe kan hij toelaten dat het licht de duisternis van de wereld verdrijft? Is dit allemaal niet de eerzame toewijding van de mens? Is dit niet de oprechte intrede van de mens? En is het werk van God niet gecentreerd rondom de intrede van de mens? God zou graag willen dat jullie Gods werk samenvoegen met de intrede van de mens, een goede relatie ontwikkelen tussen de mens en God en de plicht doen die de mens behoort te doen naar zijn beste vermogen. Zo zal Gods werk vervolgens tot een einde komen en met Zijn verheerlijking besluiten!

Naar ‘Werk en intrede (10)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

641 Wie heeft ooit Gods hart begrepen?