183 Gods hart is nog niet gerustgesteld

183 Gods hart is nog niet gerustgesteld

1

Nu ik ten volle het bitter heb geproefd van de verdorvenheid van het vlees, veracht en haat ik Satan nog meer.

Gods woorden ontmaskeren en veroordelen me scherp en nu zie ik duidelijk de waarheid van mijn eigen verdorvenheid.

Door Gods oordeel en loutering te aanvaarden word ik gezuiverd en pas dan weet ik dat de mens naar de waarheid moet streven in zijn leven.

Ik zie dat Gods werk om de mens te redden niet eenvoudig is. Met geweten en verstand zou ik God moeten gehoorzamen.

God lijdt zozeer voor de mens, zelfs nu heeft Hij het hart van de mens nog niet gewonnen.

In mijn hart voel ik schuld en zelfverwijt, als ik Gods liefde niet beantwoord, ben ik het niet waard menselijk te worden genoemd.

God zit te wachten tot de mens berouw toont. Ik kan me niet meer verlagen en een leeg leven leiden.

Ik heb de waarheid niet verkregen of een menselijke gelijkenis nageleefd, hoe kan ik het dan zo makkelijk opgeven?

2

Gods werk loopt teneinde, mijn gezindheid is nog niet zoveel veranderd.

Hoe kan ik zonder de realiteit van de waarheid standvastig zijn? Hoe kan ik Gods geest op z’n gemak stellen en Zijn vertrouwen winnen?

Ik ben nog lang niet wat God nodig heeft, hoe kan ik God dan tevreden stellen als ik de waarheid niet in praktijk breng?

Gods hart is nog niet gerustgesteld, ik zou voor God moeten leven om Zijn goedheid te beantwoorden.

Om Gods hart tevreden te stellen ben ik bereid elke pijn te lijden.

Als ik God in de steek laat, heb ik daar heel mijn leven spijt van en schaam ik me te zeer om Hem onder ogen te komen.

Als mens moet ik mijn uiterste best doen en God niet langer ongehoorzaam zijn of verdriet doen.

Ik wil me altijd tot rechtvaardigheid wenden en God voor eeuwig liefhebben en Hem toegewijd zijn. Alleen met de waarheid ben ik het waard menselijk te worden genoemd.

183 Gods hart is nog niet gerustgesteld