De mist trekt op en ik vind het pad naar het hemelse koninkrijk

De mist trekt op en ik vind het pad naar het hemelse koninkrijk

Door Chen Ai, China

Al vanaf mijn kindertijd volg ik mijn ouders in hun geloof in de Heer, en nu is mijn oude dag aangebroken. Hoewel ik mijn leven lang in de Heer geloofd heb, was het probleem van het afleggen van de zonde en het binnengaan van het hemelse koninkrijk een onoplosbaar raadsel geweest. Het bezorgde me constante nood en ik heb me er verloren en gekweld door gevoeld. Ik wilde zo graag tijdens mijn leven uitvinden hoe ik de zonde moest afleggen en het hemelse koninkrijk moest binnengaan. Als het mijn tijd was, kon ik dan de dood tegemoetzien in de wetenschap dat mijn leven voltooid was en dat ik eindelijk met vrede in het hart bij de Heer kon komen.

Om te proberen dit dilemma op te lossen, sloeg ik er naarstig de Bijbel op na. Ik ging van het Oude Testament naar het Nieuwe en van het Nieuwe Testament terug naar het Oude; keer op keer las ik de Bijbel. Maar ik kwam niet op het juiste antwoord uit. Ik had mijn mogelijkheden uitgeput en kon daarom alleen maar mijn best doen om me zo goed mogelijk te gedragen, in overeenstemming met de leringen van de Heer. De Heer heeft immers gezegd: “Het koninkrijk der hemelen zucht onder geweld en de geweldenaren nemen het met geweld in” (Matteüs 11:12). Maar ik kwam erachter dat ik in het echte leven, hoe hard ik het ook probeerde, nog altijd niet kon voldoen aan de verwachtingen die de Heer van me had. Precies zoals de Heer heeft gezegd: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf” (Matteüs 22:37-39). De Heer vereist dat we God liefhebben met ons hele hart en ons hele verstand, en dat broeders en zusters elkaar liefhebben. Maar wat ik ook deed, dit soort liefde bleef simpelweg buiten mijn bereik. Mijn liefde voor mijn gezin was groter dan mijn liefde voor de Heer, en ik was gewoon niet in staat om mijn broeders en zusters in de kerk werkelijk lief te hebben zoals ik mezelf liefhad. Integendeel, ik was vaak kleinzerig en berekenend tegenover anderen als mijn eigen belangen op het spel stonden, zozeer dat ik me dan wrokkig voelde. Hoe zou iemand zoals ik ooit gered kunnen worden en het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan? De Heer Jezus heeft ook veel gezegd over het binnengaan van het hemelse koninkrijk. Bijvoorbeeld: “Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan” (Matteüs 18:3). “Want ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan” (Matteüs 5:20). Ik was niet in staat om ook maar één van deze vereisten van de Heer in praktijk te brengen. Vaak loog ik, en steeds wanneer ik iets tegenkwam wat mij niet aanstond, gaf ik de Heer de schuld. In mijn gedachten was er bedrog en oneerlijkheid, en ik zwolg constant in zonde. Ik zondigde en had berouw, ik had berouw en zondigde, steeds maar weer. De Heer is heilig en in de Bijbel staat: “Want zonder heiliging zal niemand de Heer zien” (Hebreeën 12:14). Hoe zou iemand die zo totaal vervuild was als ik ooit geschikt kunnen zijn om het hemelse koninkrijk binnen te gaan? Dit tergde me. Maar steeds als ik las over de weg van de rechtvaardiging door het geloof, zoals uitgedragen door Paulus in Romeinen, Galaten en Efeziërs – dat het hebben van geloof en gedoopt zijn betekent dat men met zekerheid is gered; dat we gerechtvaardigd zijn door het geloof en voor altijd gered zijn als we in ons hart in de Heer geloven en Hem met onze mond belijden; en dat de Heer ons bij Zijn weerkomst gegarandeerd zal opnemen in het hemelse koninkrijk – dan werd ik overspoeld door vreugde. Ik voelde dan dat ik me geen zorgen hoefde te maken over de vraag of ik het hemelse koninkrijk wel zou betreden. Maar vervolgens herinnerde ik me dat de Heer zei dat mensen het hemelse koninkrijk alleen kunnen binnengaan door hun eigen inspanningen, en voelde ik me slecht op mijn gemak. Gerechtvaardigd worden door het geloof en vervolgens het hemelse koninkrijk binnengaan: kon het echt zo eenvoudig zijn? Vooral wanneer ik oude, vrome gelovigen zag die het eind van hun leven naderden en die onrustig en bezorgd leken, zozeer dat ze zelfs tranen met tuiten huilden en dat niet een van hen blij leek om te gaan, dan kon ik niet ontsnappen aan de vraag: als ze zeggen dat ze het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan puur door rechtvaardiging door het geloof, waarom lijken ze dan zo stervensbenauwd op hun doodsbed? Het leek erop dat zijzelf geen idee hadden of ze wel of niet waren gered en waar ze na de dood heen zouden gaan. Ik dacht steeds maar na over de woorden van de Heer Jezus en ook over die van Paulus. Ik kwam erachter dat er een groot verschil was tussen de woorden van Jezus en die van Paulus wat betreft de kwestie van wie het hemelse koninkrijk kon binnengaan. Volgens Paulus wordt men gerechtvaardigd door het geloof door eenvoudigweg in de Heer te geloven. Als dat zo was, zou iedereen gered zijn. Waarom zei de Heer Jezus dan: “Het is met het koninkrijk van de hemel ook als met een sleepnet dat in een meer werd geworpen en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. Toen het net vol was, trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen; de slechte vis werd weggegooid” (Matteüs 13:47-48)? Waarom moet de Heer, als Hij in de laatste dagen terugkomt, het graan van het onkruid scheiden, de schapen van de bokken en de goede dienaren van de slechte dienaren? Deze woorden die de Heer Jezus sprak, maken duidelijk dat niet iedereen die in Hem gelooft het hemelse koninkrijk kan binnengaan. Daarom vroeg ik me af: ben ik gered? En zal ik na mijn dood het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan? Deze vragen bleven in mijn gedachten hangen als raadsels, en ik was niet in staat er antwoorden op te vinden.

In een poging om dit probleem op te lossen, zocht ik in boeken die in de loop der tijden door bekende spirituele persoonlijkheden geschreven waren. Maar het leeuwendeel van wat ik las, bestond uit interpretaties van de rechtvaardiging door het geloof zoals daarover gesproken wordt in Romeinen, Galaten en Efeziërs. Niet één van die boeken bracht een einde aan mijn verwarring. Vervolgens bezocht ik alle bekende ouderlingen in de Heer en ging ik naar bijeenkomsten van veel verschillende denominaties. Ik constateerde dat ze allemaal min of meer hetzelfde zeiden. Niemand kon me duidelijk het mysterie verklaren van hoe men het hemelse koninkrijk kan binnengaan. Later vond ik een nieuwe, buitenlandse denominatie die in opkomst was. Dit soort kerk, dacht ik, kon misschien een nieuw licht schijnen. Daarom ging ik vol goede moed naar een van hun bijeenkomsten. Aan het begin van hun preek vond ik deze enigszins illuminerend, maar tegen het einde stelde ik vast dat ook zij de weg van de rechtvaardiging door het geloof verkondigden. Ik voelde me totaal uit het veld geslagen. Na de bijeenkomst liep ik op de hoofdvoorganger af en vroeg: “Dominee, ik ben bang dat ik het niet begreep toen u zei: ‘Eens gered, altijd gered.’ Kunt u daarover meer met mij delen?” De voorganger zei: “Dit is heel eenvoudig te begrijpen. Er staat in Romeinen: ‘Wie zal ook maar iets inbrengen tegen Gods uitverkiezing? Het is God die rechtvaardigheid doet. Wie is het om dat te veroordelen?’ (Romeinen 8:33-34). De Heer Jezus Christus heeft ons al vrijgesproken van al onze zonden door aan het kruis te zijn genageld. Dat wil zeggen: al onze zonden, of het nu de zonden zijn die we vroeger hebben begaan, de zonden die we vandaag begaan of de zonden die we nog moeten begaan, zijn allemaal vergeven. We zijn voorgoed gerechtvaardigd door het geloof in Christus. Als de Heer ons niet veroordeelt om onze zonden, wie zou ons dan ooit beschuldigen? Daarom moeten we, wat betreft het binnengaan van het hemelse koninkrijk, de moed niet verliezen.” Het antwoord van de voorganger verwarde me alleen maar meer, dus stelde ik nog een vraag: “Hoe verklaart u wat er staat in Hebreeën: ‘Wanneer we willens en wetens blijven zondigen nadat we de waarheid hebben leren kennen, is er geen enkel offer voor de zonden meer mogelijk’ (Hebreeën 10:26)?” Het gezicht van de voorganger werd rood en hij zei niets meer. Mijn vraag bleef onbeantwoord. Niet alleen had deze bijeenkomst mijn verwarring niet kunnen wegnemen, mijn ergernis was er zelfs door vergroot. Ik dacht: tientallen jaren heb ik in de Heer geloofd, maar als het me niet eens duidelijk is of mijn ziel na mijn dood naar de Heer gaat, betekent dat dan niet dat mijn geloof al mijn hele leven verward is? Vervolgens ging ik op een zoektocht om, waar dan ook, het antwoord op mijn vraagstuk te vinden.

In maart 2000 ging ik studeren aan een seminarie dat door buitenlanders werd geleid. Ik had er vertrouwen in dat de preken van buitenlanders superieur zouden zijn en wel zeker mijn verwarring zouden wegnemen. Maar tot mijn verbazing kwam ik erachter, na er twee maanden barstensvol geloof gestudeerd te hebben, dat de dominees allemaal dezelfde oude koek preekten en dat hun preken geen enkel nieuw licht schenen. Terwijl ik daar was, vernam ik van geen enkele preek die leven schonk en las ik zelfs niet één spiritueel opstel. Niet alleen was mijn verwarring niet weggenomen, door mijn tijd daar was ik alleen maar meer in de war. Ik kon aan mijn verwarring niets doen en dacht: ik ben hier nu meer dan twee maanden, maar wat heb ik eraan gehad? Als ik hier geen provisie kan krijgen, wat is dan het nut van doorgaan met deze studie?

Op een avond na het eten vroeg ik een dominee: “Dominee, is dit alles wat wij als theologiestudenten studeren? Kunnen we niet over de weg van het leven praten?” De dominee antwoordde heel ernstig: “Als we in onze theologische studie niet over deze dingen praten, waar moeten we dan over praten? Blijf maar kalm en blijf studeren! Wij zijn de grootste religieuze organisatie ter wereld en we zijn internationaal erkend. We zullen je hier drie jaar trainen, dan zul je internationaal gekwalificeerd zijn als dominee. Als het zover is, kun je met dat attest overal in de wereld het evangelie verkondigen en kerken stichten.” Het antwoord van de dominee was een grote teleurstelling voor me. Ik wilde geen dominee worden, ik wilde alleen maar weten hoe ik het hemelse koninkrijk zou kunnen binnengaan. Daarom vroeg ik hem: “Dominee, aangezien het bezit van een domineesattest zo veel deuren opent, kan ik er ook mee in het hemelse koninkrijk komen?” Toen hij dit hoorde, werd de dominee stil. Ik ging verder. “Dominee, ik heb gehoord dat u in de Heer hebt geloofd sinds u een jongen was. Er zijn nu vele decennia voorbijgegaan, dus vraag ik me af: bent u gered?” Hij antwoordde: “Ja, dat ben ik.” “Zult u dan in staat zijn om het hemelse koninkrijk binnen te gaan?” Zelfverzekerd zei hij: “Natuurlijk zal ik dat!” Vervolgens vroeg ik: “Mag ik dan vragen op grond waarvan u zegt dat u het hemelse koninkrijk zult kunnen binnengaan? Bent u een rechtvaardiger man dan de schriftgeleerden en de farizeeërs waren? Houdt u van uw naasten als van uzelf? Bent u heilig? Overweegt u eens: we kunnen het nog altijd niet helpen dat we de hele tijd zondigen en tegen de leringen van de Heer in gaan. Elke dag leven we in een staat van zonde en elke nacht belijden we onze zonden. God is heilig, dus denkt u werkelijk dat we in staat zullen zijn het hemelse koninkrijk binnen te gaan als we zo vol zonde zitten?” De dominee was sprakeloos en zijn gezicht werd zo rood als een biet. Een hele tijd sprak hij geen woord. Ik vond zijn reactie erg teleurstellend. Het scheen me toe dat ik, als ik mijn studie daar voortzette, niet het mysterie zou kunnen begrijpen van hoe men het leven verwerft en het hemelse koninkrijk binnengaat. Daarom brak ik mijn studie aan het seminarie af en keerde ik terug naar mijn woonplaats.

Op mijn reis naar huis voelde ik me gedeprimeerder dan ooit. Het voelde alsof mijn laatste hoop de grond in was geboord. Ik dacht: zelfs op een seminarie dat door buitenlandse dominees wordt geleid, heeft mijn zoektocht me nog altijd niet het pad gewezen van het afleggen van de zonde en het binnengaan van het hemelse koninkrijk. Waar kan ik verder nog heengaan om dit pad te zoeken? Het voelde alsof ik alle mogelijkheden had uitgeput. Precies op dat moment kwam het beeld van mijn oude vader en een oude dominee, huilend terwijl de dood naderde, me in een flits weer voor ogen. Ik bedacht hoe zij hun hele leven de weg van rechtvaardiging door het geloof hadden verkondigd. Ze verkondigden dat mensen na hun dood het hemelse koninkrijk zouden binnengaan, maar uiteindelijk stierven ze zelf vol spijt. Ik had mijn hele leven in de Heer geloofd en had mensen elke dag verteld dat ze na hun dood het hemelse koninkrijk zouden binnengaan. Niettemin was het me nooit echt duidelijk geweest hoe men het hemelse koninkrijk werkelijk kan binnengaan. Zou ik dit leven verlaten vol spijt, net zoals mijn vader en de dominee? In al mijn verdriet schoten me ineens deze woorden van de Heer te binnen: “Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan” (Matteüs 7:7). Zo is het, dacht ik. De Heer is getrouw, en zolang ik met een oprecht hart zoek, zal de Heer me zeker de weg wijzen. Ik mag het niet opgeven. Zolang er nog een enkele ademtocht in mijn lichaam is, zal ik blijven zoeken naar het pad dat naar het hemelse koninkrijk voert! Vervolgens wendde ik me tot de Heer om te bidden: “Lieve Heer, ik heb overal gezocht naar de manier om de zonde af te leggen en het hemelse koninkrijk binnen te gaan, maar niemand heeft mijn probleem kunnen oplossen. Lieve Heer, wat moet ik doen? Als predikant vertel ik broeders en zusters elke dag dat ze ijverig moeten zoeken en tot het einde toe geduldig moeten zijn, en dat u ons wanneer we sterven komt halen om ons naar het hemelse koninkrijk te brengen. Maar op dit moment heb ik werkelijk geen idee hoe ik de zonde kan afleggen en het hemelse koninkrijk kan binnengaan. Ben ik geen blinde die de blinden aanvoert, die zijn broeders en zusters naar een kuil toe leidt? Lieve Heer, waar moet ik heen gaan om het pad naar het hemelse koninkrijk te zoeken? Wijs me alstublieft de weg!”

Toen ik terugkwam in mijn woonplaats, hoorde ik dat veel goede schapen en leidende schapen in onze kerk door de Bliksem uit het oosten waren gestolen. Veel mensen zeiden dat de weg van de Bliksem uit het oosten een nieuw begrip en nieuw licht bracht, en zelfs door de wol geverfde dominees bewonderden hun preken. Telkens als ik deze dingen hoorde, dacht ik: de preken van de Bliksem uit het oosten lijken nogal majestueus te zijn. Het is jammer dat ik niemand van de Bliksem uit het oosten heb ontmoet. Wat zou het mooi zijn als ik hen eens zou kunnen ontmoeten! Als die dag komt, zal ik beslist luisteren en oprecht proberen in te zien wat het precies is wat hun preken zo goed maakt, en of ze deze verwarring die ik al jaren meedraag wel of niet kunnen oplossen.

Op een dag zei een kerkleider tegen me: “Bij die-en-die kerk zijn veel van de goede schapen gestolen door de Bliksem uit het oosten. Alle denominaties doen nu hun kerken op slot. We moeten er bij onze broeders en zusters op aandringen dat ze absoluut elk contact met wie dan ook van de Bliksem uit het oosten moeten vermijden. In het bijzonder moeten ze niet naar hun preken luisteren. Als al onze gelovigen in de Bliksem uit het oosten beginnen te geloven, tegen wie kunnen wij dan nog preken?” Ik vond het walgelijk om de kerkleider dit te horen zeggen en dacht: onze kerk is open voor iedereen; waarom moeten we hem dan op slot doen? Waarom zou je geen vreemdeling die van verre komt verwelkomen? In de Bijbel staat: ‘En houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen’ (Hebreeën 13:2). Abraham haalde vreemdelingen in huis en werd daarom gezegend door God, en hij kreeg een zoon op zijn honderdste. Lot haalde twee engelen in huis en werd daarom gespaard tijdens de vernietiging van Sodom. Rachab de hoer liet spionnen van Israël binnen en haar hele gezin werd gered. En een arme weduwe ontving Elia, de profeet, waardoor ze drieënhalf jaar lang een hongersnood het hoofd boden. Geen van al die mensen berokkende het schade om vreemdelingen die van verre kwamen in huis te halen. Integendeel, ze werden allemaal gezegend door God. Het binnenhalen van vreemdelingen is daarom duidelijk in overeenstemming met de wil van de Heer. Waarom dan zou men tegen de wil van de Heer ingaan door onbezonnen de kerk op slot te doen en geen enkele vreemdeling binnen te laten? Bij het overdenken hiervan schudde ik mijn hoofd. Ik zei tegen haar: “Deze handeling gaat tegen de wil van de Heer in. Onze kerk behoort aan God en is open voor iedereen. Zo lang hun communicatie draait om geloof in de Heer, moeten we iedereen welkom heten, wie het ook is. We moeten met een open geest zoeken en samen ideeën onderzoeken. Alleen zo handelen we in overeenstemming met de leringen van de Heer.”

Op een dag in juli 2000 ontmoette ik bij broeder Wang thuis twee zusters die de Bliksem uit het oosten aan het verkondigen waren. Nadat we elkaar kort hadden begroet, vroeg ik hen: “Ik ben altijd verward geweest over de vraag of ik wel of niet gered kan worden en het hemelse koninkrijk kan binnengaan. De hele religieuze wereld hangt nu de woorden van Paulus aan en gelooft dat we gered worden door eenvoudigweg te geloven en gedoopt te worden. Door in je hart in de Heer te geloven en met je mond de Heer te belijden, word je gerechtvaardigd door het geloof, ben je voor altijd gered en zul je met zekerheid in het hemelse koninkrijk worden opgenomen bij de terugkeer van de Heer. Maar zelf denk ik niet dat het binnengaan van het hemelse koninkrijk zo eenvoudig kan zijn. Zoals er in de Bijbel staat: ‘Want zonder heiliging zal niemand de Heer zien’ (Hebreeën 12:14). Wie het ook is die elke dag de hele dag in zonde wegkwijnt, ikzelf of de broeders en zusters om me heen: ik denk niet dat mensen zoals wij die elke dag in zonde leven het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan. Ik zou graag willen weten hoe men precies het hemelse koninkrijk kan binnengaan. Kunnen jullie daar met mij over communiceren?”

Zuster Zhou glimlachte en zei: “Broeder, deze vraag die je stelt is van wezenlijk belang. Hoe men het hemelse koninkrijk kan binnengaan, is een vraag van enorm belang voor elke gelovige. Om hierover duidelijkheid te krijgen, moet men eerst weten dat zij die in de Heer geloven altijd horen te handelen in overeenstemming met de woorden van de Heer Jezus, en niet in overeenstemming met wat door mensen is gezegd. De Heer Jezus heeft ons duidelijk verteld: ‘Niet iedereen die tegen mij zei, Heer, Heer, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan; maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is’ (Matteüs 7:21). De Heer heeft nooit gezegd dat we het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan door alleen maar op genade te vertrouwen om gered te worden, of door gerechtvaardigd te worden door het geloof. Gerechtvaardigd worden door het geloof, voor altijd gered zijn door het geloof, en dan in het hemelse koninkrijk worden opgenomen: dat waren de woorden van Paulus. Paulus was alleen maar een apostel, hij hoorde bij de verdorven mensheid en ook hij had de redding van de Heer Jezus nodig. Hoe had hij mogelijk kunnen bepalen of andere mensen het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan? Alleen de Heer Jezus is de Heer van het hemelse koninkrijk, de Koning van het hemelse koninkrijk; alleen de woorden van de Heer zijn de waarheid en alleen deze woorden hebben gezag. Daarom moeten we, waar het gaat om hoe we het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan, uitsluitend naar de woorden van de Heer luisteren. Dit staat buiten kijf!

“Vervolgens zijn er de vragen: ‘Rechtvaardiging door het geloof en gered worden door het geloof, waar gaat dat precies over?’ en ‘Kan men het hemelse koninkrijk binnengaan als men eenmaal gered is?’ Deze dingen worden heel duidelijk uitgelegd in de woorden van Almachtige God. Laten we daarom een paar passages uit Gods woorden lezen. Almachtige God zegt: ‘Je weet alleen dat Jezus zal nederdalen tijdens de laatste dagen, maar hoe precies zal Hij nederdalen? Kan een zondaar zoals jullie, die net is verlost en niet is veranderd of vervolmaakt door God, naar Gods hart zijn? Voor jou geldt dat jij, die nog steeds je oude zelf bent, inderdaad gered bent door Jezus en dat je niet beschouwd wordt als een zondaar vanwege de redding door God, maar dat bewijst niet dat je niet zondig bent en niet onzuiver bent. Hoe kun je heilig zijn als je niet veranderd bent? Van binnen ben je overladen met onzuiverheid, zelfzuchtig en verachtelijk, maar toch wil je nederdalen met Jezus – dan zou je wel boffen! Je hebt een stap overgeslagen in je geloof in God: je bent alleen nog maar verlost, maar je bent nog niet veranderd. Om naar Gods hart te zijn, moet God persoonlijk het werk verrichten, dat inhoudt dat Hij je verandert en zuivert. Anders zul jij, die alleen verlost is, geen heiligheid kunnen verkrijgen. Op die manier ben je niet gekwalificeerd om te delen in de goede zegeningen van God omdat je een stap mist in Gods werk van het managen van de mens, en wel de cruciale stap van verandering en vervolmaken. Daarom ben jij, een zondaar die net is verlost, niet in staat om rechtstreeks de erfenis van God te erven’ (‘Over titels en identiteit’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’). ‘Jezus deed veel werk onder de mens, maar voltooide alleen de verlossing van alle mensen en werd het zondoffer van de mens. Hij ontdeed de mens niet van heel zijn verdorven gezindheid. Om de mens volledig van de invloed van Satan te redden, was het niet alleen vereist dat Jezus de zonden van de mensheid als zondoffer op Zich nam, maar ook dat God nog belangrijker werk uitvoerde om de mens volledig te ontdoen van zijn gezindheid die door Satan was verdorven. Daarom keerde God nadat de zonden van de mensen waren vergeven terug in het vlees om de mens naar een nieuw tijdperk te leiden. Hij begon het werk van tuchtiging en oordeel, waardoor de mens in een hogere sfeer terechtkwam. Iedereen die zich aan Zijn heerschappij onderwerpt, zal een hogere waarheid genieten en een rijkere zegen ontvangen. Ze zullen echt in het licht leven en de waarheid, de weg en het leven verkrijgen’ (‘Voorwoord’ tot ‘Het Woord verschijnt in het vlees’).”

Zuster Wang vervolgde haar communicatie: “In het Tijdperk van Genade deed de Heer Jezus het werk van de verlossing van de mensheid. Hij werd een zondoffer voor de mensheid door de kruisiging en verloste ons uit de greep van Satan. Zolang we de redding door de Heer aanvaarden en onze zonden berouwvol opbiechten aan de Heer, worden onze zonden vergeven. Dan zijn we in staat om de genade en zegeningen van de Heer te genieten. Wat ik bedoel met ‘onze zonden worden vergeven’ is dat we niet langer verdoemd zijn, of onder de wet ter dood veroordeeld wegens het breken van de wet. Dit is wat het werkelijk betekent om gerechtvaardigd te zijn door het geloof en gered te zijn door het geloof. Maar dit betekent niet dat we dan zonder zonden zijn, of onvervuild. Evenmin betekent het dat we het hemelse koninkrijk zullen kunnen binnengaan. Dit komt doordat, hoewel onze zonden misschien vergeven zijn, onze zondige natuur diep in ons verankerd blijft. Wanneer we tegen zaken aanlopen, liegen we nog altijd vaak en misleiden we anderen om onze eigen posities en belangen te beschermen. Wanneer we de genade van de Heer genieten, danken en loven we Hem, en besteden we onszelf vol energie voor de Heer. Maar zodra er een ramp gebeurt of er iets ergs gebeurt met ons gezin, begrijpen we de Heer verkeerd en geven we Hem de schuld. Dat gaat zo ver dat we soms zelfs de Heer verloochenen en verraden. Hoe kunnen dan mensen als wij, die verlost zijn maar die vaak zondigen en zich tegen God verzetten, ooit geschikt zijn om het hemelse koninkrijk binnen te gaan? God is rechtvaardig en heilig. Vervuilde en verdorven mensen zou Hij nooit in Zijn koninkrijk binnenlaten. Om ons voorgoed te redden van de invloed van Satan, werkt God in overeenstemming met Zijn managementplan en onze behoeftes als verdorven mensheid. Hij doet Zijn werk, dat bestaat uit het oordelen over en het zuiveren van de mens in de laatste dagen. De vleesgeworden God heeft miljoenen woorden uitgesproken om over onze verdorvenheid, onze vuilheid, onze onrechtvaardigheid en ons verzet te oordelen, en om ons de weg te wijzen naar het afwerpen van onze verdorven gezindheden. Wanneer we, door het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden te ervaren, onze satanische, verdorven gezindheden afwerpen, in staat zijn Gods woorden in praktijk te brengen, en mensen zijn geworden die God werkelijk gehoorzamen en aanbidden, pas dan zullen we geschikt worden om Gods koninkrijk binnen te gaan. Overigens profeteerde de Heer Jezus lang geleden dat Hij in de laatste dagen zou terugkeren om het oordeelswerk te doen. Hij zei: ‘En als iemand mijn woorden hoort en ze niet gelooft, zal ik niet over hem oordelen: Want ik kwam niet naar de aarde om te oordelen, maar om de wereld te redden. Hij die mij verwerpt en mijn woorden niet ontvangt, wordt geoordeeld: Het woord dat ik heb gesproken zal hetzelfde zijn dat hem op de laatste dag zal oordelen’ (Johannes 12:47-48). ‘Wanneer hij komt zal hij de wereld duidelijk maken wat zonde, gerechtigheid en oordeel is’ (Johannes 16:8). Het is daarom duidelijk dat we Gods koninkrijk alleen kunnen binnengaan als we Gods oordeelswerk in de laatste dagen aanvaarden, onze verdorven gezindheden afwerpen en tot zuivering komen.”

Nadat ik naar de communicaties van de zusters had geluisterd, werd alles plotseling duidelijk en werd mijn hart ogenblikkelijk met licht vervuld. Aha, dacht ik, dus zo komt men het hemelse koninkrijk binnen! Nu pas begrijp ik eindelijk dat de Heer Jezus het werk van de verlossing van de mensheid heeft uitgevoerd, niet het werk van het wegnemen van onze zonden. De Heer heeft inderdaad onze zonden vergeven, maar onze zondige natuur blijft diep in ons verankerd. Veelvuldig en zonder het te willen zondigen we nog altijd en verzetten we ons tegen de Heer. Het is geen wonder dat ik mezelf nooit heb kunnen verlossen uit de boeien en ketenen van de zonde: dat blijkt te komen doordat ik het oordeelswerk van Almachtige God in de laatste dagen niet aanvaard heb! Daarom zei ik tegen de twee zusters: “Ik dank de Heer! Door te luisteren naar de woorden van Almachtige God en jullie communicaties, weet ik eindelijk dat datgene waar we in geloofden – dat iedereen die in zijn hart in de Heer gelooft en die met zijn mond de Heer erkent, opgenomen kan worden in het hemelse koninkrijk – alleen maar onze eigen notie en inbeelding is! Nu begrijp ik dat het werk dat de Heer Jezus uitvoerde het verlossingswerk was, en dat de teruggekomen Heer het oordeelswerk zal uitvoeren. Dat wil zeggen: onze verdorven gezindheden zal Hij grondig reinigen en omvormen. Pas dan zullen we in staat zijn om het hemelse koninkrijk binnen te gaan. Geen wonder dat ik zo veel spirituele boeken heb gelezen, maar nooit de oplossing heb gevonden voor het probleem van de zondigheid van de mens! Zusters, hoe vervult God dan het werk van oordeel en tuchtiging in de laatste dagen? Kunnen jullie nog verdere communicatie met me delen?”

Daarop zei zuster Wang: “Het antwoord op deze vraag wordt duidelijk uitgedrukt in Gods woorden. Laat ons er daarom een passage uit lezen. Almachtige God zegt: ‘In de laatste dagen gebruikt Christus een verscheidenheid aan waarheden om de mens te onderwijzen, het wezen van de mens te ontmaskeren, en zijn woorden en daden te ontleden. Deze woorden omvatten verscheidene waarheden, zoals de plicht van de mens, hoe de mens God moet gehoorzamen, hoe de mens trouw moet zijn aan God, hoe de mens een normale menselijkheid moet naleven, alsook de wijsheid en de gezindheid van God, enzovoort. Deze woorden doelen allemaal op het wezen van de mens en zijn verdorven gezindheid. In het bijzonder die woorden die aan de kaak stellen hoe de mens God versmaadt, worden gesproken in verband met hoe de mens een belichaming van Satan is en een vijandelijke macht tegen God. Door het ondernemen van Zijn werk van oordeel, maakt God niet zonder meer de natuur van de mens duidelijk met slechts een paar woorden; over een langer tijdsbestek houdt Hij Zich bezig met ontmaskeren, behandelen en snoeien. Deze methoden van ontmaskering, behandelen en snoeien kunnen niet vervangen worden door gewone woorden, maar met de waarheid die de mens in het geheel niet bezit. Alleen dit soort methoden wordt beschouwd als oordeel; alleen door middel van dit soort oordeel kan de mens onderworpen worden en grondig overtuigd worden om zich aan God te onderwerpen, en daarenboven ware kennis van God te vergaren. Wat het werk van oordeel teweegbrengt is het begrip van de mens van het ware gezicht van God en de waarheid over zijn eigen opstandigheid. Door het werk van oordeel vergaart de mens veel begrip over de wil van God, over het doel van Gods werk, en over de mysteriën die onbegrijpelijk voor hem zijn. Het laat de mens ook zijn verdorven essentie herkennen en kennen en de wortels van zijn verdorvenheid, alsmede de afstotelijkheid van de mens ontdekken. Deze resultaten worden allemaal verkregen door het werk van oordeel, want de essentie van dit werk is eigenlijk het werk van het openleggen van de waarheid, de weg en het leven van God voor al degenen die geloof in Hem hebben. Dit werk is het werk van oordeel gedaan door God’ (‘Christus doet het werk van het oordeel met de waarheid’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’).

“Gods woorden vertellen ons duidelijk dat God in de laatste dagen alle waarheden uitdrukt die we nodig hebben om volledige redding te verkrijgen. Ze oordelen over en onthullen onze satanische natuur die zich tegen God verzet, en onze verdorven essentie. Al deze woorden zijn de waarheid, ze worden geschraagd door Gods eigen gezag en macht. Ze onthullen voor ons wat God heeft en is, en ook Zijn rechtvaardige gezindheid die geen schending duldt. Door het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden, en door de openbaring van feiten, verwerven we enig begrip van onze satanische aard en de waarheid over hoe Satan ons verdorven heeft. We zien dat we zo intens verdorven zijn door Satan, dat we van nature arrogant zijn, en verwaand, oneerlijk, leugenachtig, zelfzuchtig, egoïstisch, hebzuchtig, boosaardig, dat we anderen graag overwinnen en dat alles wat we onthullen, zelfs tot in ons bloed en onze botten, onze satanische gezindheden zijn. We worden overheerst door deze verdorven gezindheden; daarom verzetten we ons en komen we in opstand tegen God zonder het te kunnen helpen. Wanneer we bijvoorbeeld in onze kerken werken en preken, ratelen we maar door met verheven betogen. We pronken en we verheffen onszelf, zodat anderen naar ons opkijken en ons hoogachten. We vertellen vaak leugens en misleiden anderen om onze eigen belangen te beschermen. We gaan zelfs zover dat we onszelf verwikkelen in intriges en met elkaar wedijveren. Wanneer we geconfronteerd worden met mensen, gebeurtenissen, dingen of situaties die tegen onze eigen noties ingaan, stellen we altijd onredelijke eisen aan God of koesteren we buitensporige verlangens. En we zijn niet in staat om ons aan Gods orkestraties en regelingen te onderwerpen. Door het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden te ervaren, beginnen we geleidelijk aan enkele waarheden te begrijpen. We krijgen enig waar inzicht in onze satanische aard en haten deze oprecht. Ook krijgen we enig waar inzicht in Gods rechtvaardige gezindheid. We weten wat voor soort mensen God liefheeft en wat voor soort mensen Hij haat, en ook welk soort streven in overeenstemming is met Zijn wil. We leren enig onderscheid te maken tussen positieve en negatieve dingen. Als we eenmaal deze dingen begrijpen, worden we bereid om met ons hele hart ons vlees te verzaken en om te praktiseren in overeenstemming met Gods woorden. In de loop van de tijd komt langzaam de wens om God te vereren en lief te hebben in ons op, worden we bevrijd uit sommige van de boeien en ketenen van onze satanische, verdorven gezindheden en neemt het aantal onredelijke eisen die we aan God stellen af. We worden in staat om onze plek in te nemen als geschapen wezens en om onze plicht te vervullen. We onderwerpen ons aan Gods orkestraties en regelingen en beginnen een zweem van een werkelijke mens na te leven. Het ervaren van Gods werk geeft ons diepe waardering voor het feit dat er maar één pad is waarlangs we het hemelse koninkrijk kunnen binnengaan: het aanvaarden van het werk van oordeel en tuchtiging van Almachtige God in de laatste dagen, het nastreven van de waarheid, het verkrijgen van kennis van God en van onszelf, en het laten veranderen van onze verdorven gezindheden.”

Het horen van deze woorden van Almachtige God en van de communicatie van de zusters bracht me nog meer innerlijke duidelijkheid. De waarheden die Almachtige God uitdrukt, zijn erg praktisch en zijn waarlijk wat wij verdorven mensen nodig hebben. Alleen door het oordeelswerk van Almachtige God in de laatste dagen te aanvaarden en te ervaren, kunnen we de boeien en ketenen van onze verdorven gezindheden voorgoed afwerpen! Er ontsnapte me een zucht en ik zei: “Ik heb zo veel jaar in de Heer geloofd, en toch zondig ik overdag altijd en biecht die zonden dan ’s nachts op. Ik leid een leven waarin ik me wentel in zonde. Als God niet alle waarheden had uitgedrukt om de mensheid te zuiveren, als Hij ons niet het pad had getoond om ons te ontdoen van onze verdorven gezindheden, dan was ik ongetwijfeld zo strak gebonden door zonde dat ik het pad naar de vrijheid nooit zou hebben gevonden. Het is geen wonder dat de Heer heeft gezegd: ‘Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen. De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat’ (Johannes 16:12-13). De Heer Jezus heeft ons lang geleden verteld dat Hij meer woorden had om in de laatste dagen uit te drukken en dat Hij ons zou leiden om alle waarheden binnen te gaan. De woorden van Almachtige God hebben gezag en macht. Ze hebben alle waarheden en raadselen onthuld die ik wilde begrijpen en maar nooit kon begrijpen, en ze hebben me volledig overtuigd. Ten langen leste heb ik het pad gevonden om het koninkrijk van de hemel binnen te gaan!” De twee zusters knikten verblijd.

Vervolgens zei ik verheugd: “Dit is de stem van de Heer. Almachtige God is de Heer Jezus die teruggekeerd is! Iets waar ik zo lang naar heb verlangd, is eindelijk gebeurd. Ik heb zo’n geluk, ik ben zo gezegend! Toen de Heer Jezus werd geboren, ervoer Simeon intense vreugde bij het zien van het kindje Jezus, dat nog maar acht dagen oud was. Omdat ik in mijn eigen leven de terugkomst van de Heer kan verwelkomen en Gods eigen uitspraken kan horen, heb ik zelfs nog veel meer geluk dan Simeon. Ik ben de Heer zo dankbaar!” Onder het spreken raakte ik overweldigd door ontroering en huilde ik tranen van verheuging. Ik knielde op de vloer neer om tot God te bidden, maar huilde zo hevig dat ik niet kon praten. Ook de zusters waren tot tranen geroerd.

De ergernis die me zo veel jaar had dwarsgezeten, was uiteindelijk opgelost door de woorden van Almachtige God. Ik dacht erover dat ik overal gezocht had, maar nooit het pad van zuivering vond dat naar het hemelse koninkrijk zou leiden. Nu heb ik het eindelijk gevonden. Ik weet dat dit Gods genade en redding voor mij is! Naderhand kwam ik, door naar bijeenkomsten te gaan en met broeders en zusters over de woorden van Almachtige God te communiceren, steeds meer waarheden te begrijpen, en verkreeg ik enig inzicht in Gods wens om ons te redden. Ik wens nu meer van het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden te aanvaarden, Zijn werk te ervaren, geleidelijk mijn verdorven gezindheden af te werpen en gezuiverd te worden. Ik geef God dank!

Sommige bijbelteksten zijn ontleend aan de Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap.

De mist trekt op en ik vind het pad naar het hemelse koninkrijk