606 Mensen geven hun hart niet aan God

606 Mensen geven hun hart niet aan God

1 Ik observeer het universum dag na dag en sta erboven, en ik verberg mij nederig in mijn verblijfplaats om het menselijk leven te ervaren en elk menselijk handelen van nabij te onderzoeken. Nooit heeft iemand werkelijk zichzelf voor mij opgeofferd. Niemand heeft ooit de waarheid nagestreefd. Niemand is ooit gewetensvol tegenover mij geweest. Niemand heeft ooit iets aan mij beloofd en zich aan zijn plicht gehouden. Er is niemand die ooit heeft toegestaan dat ik in hem woonde. Niemand heeft mij gewaardeerd zoals hij zijn eigen leven waardeert. Niemand heeft ooit in praktische realiteit het hele wezen van mijn goddelijkheid gezien. Niemand is ooit bereid geweest om in contact te treden met de praktische God Zelf.

2 De mens is bezoedeld en daarom is hij niet geschikt mijn glorie te zien. Duizenden jaren lang ben ik niet in het openbaar getreden maar verborgen gebleven. Daarom is mijn glorie nooit zichtbaar geweest voor de mensheid en is de mens altijd in de diepe ravijn van de zonde verzonken geweest. Ik heb de mensheid haar onrechtvaardigheid vergeven, maar de mensen weten niet hoe ze zichzelf moeten beschermen. In plaats daarvan stellen ze zichzelf altijd open voor de zonde en staan de zonde toe hen te verwonden. Is dit niet het gebrek aan zelfrespect en eigenliefde van de mens? Is er onder de mensen maar één die echt weet lief te hebben? Hoeveel kan de toewijding van de mens wegen? Zijn er geen vervalste zaken door zijn zogenaamde authenticiteit gemengd? Is zijn toewijding niet een totale mengelmoes? Wat ik eis is de onverdeelde liefde van de mens. De mens kent mij niet, en hij is wel op zoek naar mij maar weigert mij zijn ware en vurige hart te geven.

Naar ‘Hoofdstuk 19’ van ‘Gods woorden aan het hele universum’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

606 Mensen geven hun hart niet aan God