Hoofdstuk 5 Je moet de waarheden over de incarnatie van God kennen

Hoofdstuk 5 Je moet de waarheden over de incarnatie van God kennen

1. Wat is de incarnatie? Wat is het wezen van de incarnatie?

Relevante woorden van God:

Incarnatie houdt in dat de Geest van God vlees wordt, dat wil zeggen dat God vlees wordt. Het werk dat Hij in het vlees doet is het werk van de Geest en het wordt in het vlees gerealiseerd, door middel van het vlees tot uitdrukking gebracht. Niemand anders dan Gods vlees kan de bediening van de vleesgeworden God vervullen, dat wil zeggen, alleen Gods geïncarneerde vlees, deze normale menselijkheid – en niemand anders – kan het goddelijke werk uitdrukken.

uit ‘De essentie van het door God bewoonde vlees’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

De Christus met normale menselijkheid is vlees waarin de Geest gerealiseerd is met een normale menselijkheid, gewoon verstand en menselijke gedachten. ‘Gerealiseerd worden’ betekent dat God mens wordt, dat de Geest vlees wordt. Duidelijk gezegd, het is als God Zelf vlees bewoont met een normale menselijkheid en hierdoor Zijn goddelijk werk tot uitdrukking brengt. Dit is wat gerealiseerd of geïncarneerd betekent.

uit ‘De essentie van het door God bewoonde vlees’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

De vleesgeworden God wordt Christus genoemd en dus wordt de Christus die de mensen de waarheid kan geven, God genoemd. Hier is niets buitensporigs aan, want Hij bezit het wezen van God en bezit Gods gezindheid en wijsheid in Zijn werk, die onbereikbaar zijn voor de mens. Degenen die zichzelf Christus noemen, maar het werk van God niet kunnen verrichten, zijn fraudeurs. De echte Christus is niet slechts de manifestatie van God op aarde, maar ook, het specifieke vlees dat door God wordt aangenomen terwijl Hij Zijn werk onder de mens uitvoert en voltooit. Dit vlees is er geen dat zomaar door iedereen kan worden vervangen, maar één wat Gods werk op aarde adequaat kan verdragen, de gezindheid van God kan uitdrukken, God in voldoende mate kan vertegenwoordigen en de mens van leven kan voorzien.

uit ‘Alleen Christus van de laatste dagen kan de weg van het eeuwige leven aan de mens geven’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

Omdat Hij een mens met de essentie van God is, staat Hij boven alle geschapen mensen, boven iedere mens die het werk van God kan uitvoeren. En dus is Hij, onder allen met een menselijk omhulsel net als Hij en onder allen die menselijkheid bezitten de enige die de geïncarneerde God Zelf is – alle anderen zijn geschapen mensen. Hoewel ze allen menselijkheid bezitten zijn geschapen mensen slechts menselijk, terwijl de vleesgeworden God anders is: in Zijn vlees heeft Hij niet alleen menselijkheid, maar ook – nog belangrijker – goddelijkheid. Zijn menselijkheid kan herkend worden in de uiterlijke verschijning van Zijn vlees en in Zijn dagelijks leven, maar Zijn goddelijkheid is moeilijker waar te nemen. Omdat Zijn goddelijkheid alleen wordt uitgedrukt als Hij menselijkheid heeft, en niet zo bovennatuurlijk is als de mensen zich voorstellen, kunnen zij die slechts met de grootste moeite zien. … Omdat God vlees is geworden is Zijn essentie een combinatie van menselijkheid en goddelijkheid. Deze combinatie wordt God Zelf genoemd, God Zelf op aarde.

uit ‘De essentie van het door God bewoonde vlees’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

De betekenis van incarnatie is dat God in het vlees verschijnt en dat Hij, naar het beeld van vlees, komt werken, tussen de mensen die Hij geschapen heeft. God moet dus om te incarneren eerst vlees zijn, vlees met een normale menselijkheid. Dit moet minimaal het geval zijn. De implicatie van Gods incarnatie is in feite dat God leeft en werkt in het vlees, dat God in Zijn ware essentie vlees wordt, mens wordt. Zijn geïncarneerde leven en werk kan in twee stadia worden onderverdeeld. Eerst is er het leven dat Hij vóór het uitvoeren van Zijn bediening leidt. Hij leeft in een gewoon gezin, in volslagen normale menselijkheid, en gehoorzaamt de gewone morele beginselen en wetten van het menselijk leven, heeft gewone menselijke behoeftes (voedsel, kleding, slaap en onderdak), gewone menselijke zwakheden en gewone menselijke emoties. Met andere woorden, in dit eerste stadium leidt Hij een niet-goddelijk, heel gewoon menselijk leven en doet Hij met alle gewone menselijke activiteiten mee. Het tweede stadium is het leven dat Hij leidt nadat Hij met de uitvoering van Zijn bediening is begonnen. Hij verkeert nog steeds in gewone menselijkheid met een gewoon menselijk omhulsel, er is geen teken van het bovennatuurlijke waar te nemen. Toch leeft Hij alleen voor Zijn bediening, en in deze tijd staat Zijn normale menselijkheid geheel in dienst van het gewone werk van Zijn goddelijkheid; Zijn normale menselijkheid is tegen die tijd zover gerijpt, dat Hij Zijn bediening uit kan voeren. Het tweede stadium van Zijn leven is dus de uitvoering van Zijn bediening in Zijn normale menselijkheid, het is een leven van normale menselijkheid én van complete goddelijkheid. De reden dat Hij in het eerste stadium van Zijn leven in heel gewone menselijkheid leeft is dat Zijn menselijkheid nog niet gelijk is aan het geheel van het goddelijke werk, nog niet gerijpt is. Pas als Zijn menselijkheid is gerijpt en Hij Zijn bediening op de schouders kan nemen, kan Hij aan de taak van de uitvoering van Zijn bediening beginnen. Omdat Hij, als vlees, moet groeien en rijpen, is het eerste stadium van Zijn leven dat van de normale menselijkheid. Omdat Zijn menselijkheid in het tweede stadium in staat is het werk te ondernemen en Zijn bediening uit te voeren, is het leven van de geïncarneerde God tijdens Zijn bediening een leven van menselijkheid en complete goddelijkheid. Als de geïncarneerde God vanaf Zijn geboorte Zijn bediening serieus had opgepakt en bovennatuurlijke tekenen had gegeven en wonderen had verricht, dan zou Hij geen lichamelijke essentie hebben. Daarom bestaat Zijn menselijkheid in het belang van Zijn lichamelijke essentie; er kan geen vlees zijn zonder menselijkheid, een persoon zonder menselijkheid is geen menselijk wezen. Zo is de menselijkheid van Gods vlees een wezenlijke eigenschap van het geïncarneerde vlees van God. Het is blasfemie te zeggen dat “als God vlees wordt Hij helemaal goddelijk is en helemaal niet menselijk”, omdat dit een onmogelijk standpunt is, dat het grondbeginsel van de incarnatie geweld aandoet. Zelfs nadat Hij Zijn bediening begint uit te voeren bewoont Zijn goddelijkheid nog steeds het menselijke omhulsel als Hij Zijn werk doet. Zijn menselijkheid dient alleen op dat moment het enige doel om Zijn goddelijkheid het werk in het gewone vlees te laten uitvoeren. De handelende factor van het werk is dus de goddelijkheid die Zijn menselijkheid bewoont. Zijn goddelijkheid, niet Zijn menselijkheid, is aan het werk, maar deze goddelijkheid is verborgen in Zijn menselijkheid. In de kern wordt Zijn werk door Zijn complete goddelijkheid gedaan, niet door Zijn menselijkheid. Maar de uitvoerder van het werk is Zijn vlees. Je zou kunnen zeggen dat Hij mens en ook God is, want God wordt een God die in het vlees leeft, met een menselijk omhulsel en een menselijke essentie maar ook met de essentie van God.

uit ‘De essentie van het door God bewoonde vlees’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

Het leven dat Jezus op aarde leidde was het gewone leven van het vlees. Hij leefde in de normale menselijkheid van Zijn vlees. Zijn gezag – om Zijn werk te doen en Zijn woord te spreken, of zieken te genezen en duivels uit te drijven, om zulke buitengewone dingen te doen – werd pas grotendeels duidelijk toen Hij Zijn bediening begon. Zijn leven voor Zijn negenentwintigste, voordat Hij Zijn bediening uitvoerde, was bewijs genoeg dat Hij gewoon normaal vlees was. Daarom, en omdat Hij nog niet met de uitvoering van Zijn bediening was begonnen, zagen de mensen geen spoor van goddelijkheid in Hem, ze zagen niets anders dan een gewoon, normaal mens – net zoals destijds sommige geloofden dat Hij de zoon van Jozef was. De mensen dachten dat Hij de zoon van een gewoon mens was, ze konden op geen enkele manier zien dat Hij Gods geïncarneerde vlees was. Zelfs toen Hij tijdens de uitvoering van Zijn bediening wonderen verrichtte zeiden de meeste mensen nog steeds dat Hij de zoon van Jozef was, want Hij was de Christus met het omhulsel van normale menselijkheid. Zijn normale menselijkheid en Zijn werk bestonden beide om de inhoud van de eerste incarnatie te vervullen, waarmee bewezen werd dat God helemaal in het vlees was gekomen en een volslagen gewoon mens was geworden. Dat Hij normale menselijkheid had voor Hij aan het werk ging was het bewijs dat Hij van gewoon vlees was, en dat Hij daarna werkte bewees ook dat Hij van gewoon vlees was, omdat Hij tekenen en wonderen verrichtte, zieken genas en duivels uitdreef in het vlees van de normale menselijkheid. De reden dat Hij wonderen kon verrichten was dat Zijn vlees het gezag van God herbergde, het vlees was waarin de Geest van God zich kleedde. Hij had dit gezag vanwege de Geest van God, en het betekende niet dat Hij niet van vlees was. Zieken genezen en duivels uitdrijven was het werk dat Hij moest doen in Zijn bediening, een uitdrukking van Zijn goddelijkheid die in Zijn menselijkheid verborgen lag, en wat voor tekenen Hij ook gaf of hoe Hij Zijn gezag ook demonstreerde, Hij bleef in normale menselijkheid leven en was nog steeds van gewoon vlees. Tot het moment van Zijn herrijzen nadat Hij aan het kruis was gestorven heeft Hij in het gewone vlees geleefd. Het verlenen van genade, het genezen van de zieken en het uitdrijven van duivels maakte allemaal onderdeel uit van Zijn bediening en vormde al het werk dat Hij in Zijn gewone vlees deed. Voordat Hij werd gekruisigd had Hij Zijn gewone vlees nog nooit verlaten, wat Hij ook deed. Hij was God Zelf en deed het werk van God. Maar omdat Hij het geïncarneerde vlees van God was, at Hij voedsel, droeg Hij kleren, had Hij gewone menselijke behoeftes, een gewoon menselijk verstand en een gewone menselijke geest. Dit was allemaal bewijs dat Hij een gewoon mens was, waarmee het bewijs werd geleverd dat het geïncarneerde vlees van God vlees was met een gewone en niet met een bovennatuurlijke menselijkheid. Het was Zijn opdracht het werk van de eerste incarnatie van God af te maken, de bediening van de eerste incarnatie te vervullen. Het belang van de incarnatie is dat een gewoon, normaal mens het werk van God Zelf uitvoert; dat wil zeggen dat God Zijn goddelijke werk in menselijkheid uitvoert en daarbij Satan overwint.

uit ‘De essentie van het door God bewoonde vlees’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

De menselijkheid van de vleesgeworden God bestaat om het gewone goddelijke werk in het vlees te behouden; Zijn gewone menselijke denken ondersteunt Zijn normale menselijkheid en al Zijn gewone lichamelijke activiteiten. Je zou kunnen zeggen dat Zijn gewone menselijke denken bestaat om al het werk van God in het vlees te steunen. Als dit vlees geen gewoon menselijk verstand had, zou God niet in het vlees kunnen werken en zou wat Hij in het vlees moet doen nooit tot stand komen. Hoewel de vleesgeworden God een gewoon menselijk verstand heeft is Zijn werk niet aangetast door menselijke gedachten. Hij onderneemt het werk in de menselijkheid met gewoon verstand waarvoor de eerste vereiste is dat Hij menselijkheid met verstand bezit, niet door gewone menselijke gedachten toe te passen. Hoe verheven de gedachten van Zijn vlees ook zijn, Zijn werk kan toch niet als logisch of als denkwerk bestempeld worden. Met andere woorden, Zijn werk is niet door het verstand van Zijn vlees bedacht, maar is een directe uitdrukking van het goddelijke werk in Zijn menselijkheid. Al Zijn werk is de bediening die Hij moet uitvoeren, en Hij heeft niets daarvan met Zijn eigen brein bedacht. Bijvoorbeeld, zieken genezen, duivels verdrijven en de kruisiging waren niet het product van Zijn menselijk verstand, een mens met een menselijk verstand zou daar niet in kunnen slagen. Het huidige overwinningswerk is evenzeer een bediening die uitgevoerd moet worden door de vleesgeworden God, maar het is niet het werk van de menselijke wil, het is het werk dat Zijn goddelijkheid moet uitvoeren, werk waar geen lichamelijk mens toe in staat is. De vleesgeworden God moet dus een gewoon menselijk verstand hebben, normale menselijkheid bezitten, omdat Hij Zijn werk in de menselijkheid met een gewoon verstand moet uitvoeren. Dat is de essentie van het werk van de vleesgeworden God, dat is de ware essentie van de vleesgeworden God.

uit ‘De essentie van het door God bewoonde vlees’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

De vleesgeworden Mensenzoon drukte door Zijn menselijkheid Gods goddelijkheid uit en bracht de wil van God over op de mensheid. En door de uitdrukking van Gods wil en gezindheid openbaarde Hij de mensen ook de God in het spirituele rijk die niet gezien of aangeraakt kan worden. Wat mensen zagen was God Zelf, tastbaar en met vlees en botten. De vleesgeworden Mensenzoon maakte dus dingen zoals Gods eigen identiteit, status, beeld, gezindheid en wat Hij heeft en is concreet en vermenselijkt. Hoewel het uiterlijk voorkomen van de Mensenzoon wat betreft het beeld van God enige beperkingen kende, waren Zijn essentie en wat Hij heeft en is geheel in staat Gods eigen identiteit en status te vertegenwoordigen – er waren slechts enkele verschillen in de uitdrukkingsvorm. Het maakt niet uit of het nu de menselijkheid of goddelijkheid van de Mensenzoon is, we kunnen niet ontkennen dat Hij Gods eigen identiteit en status vertegenwoordigde. Tijdens deze periode werkte God echter door het vlees, sprak Hij vanuit het perspectief van het vlees en stond Hij voor de mensheid met de identiteit en status van de Mensenzoon. Dit bood mensen de gelegenheid de ware woorden en het ware werk van God onder de mensheid te ontmoeten en ervaren. Het stelde mensen ook in staat inzicht te verwerven in Zijn goddelijkheid en grootheid te midden van nederigheid en een voorlopig begrip en een voorlopige definitie te vormen van de authenticiteit en de werkelijkheid van God.

uit ‘Gods werk, Gods gezindheid en God Zelf III’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

Hoewel het voorkomen van de vleesgeworden God exact hetzelfde is als die van een mens, Hij menselijke kennis leert, menselijke taal spreekt en Hij zelfs Zijn ideeën soms uitdrukt in de vorm van menselijke methoden en uitdrukkingen, is de manier waarop Hij mensen ziet, de essentie van de dingen, en de manier waarop verdorven mensen de mensheid en de essentie van de dingen zien, absoluut niet dezelfde. Zijn perspectief en de hoogte waarop Hij staat zijn iets onbereikbaars voor een verdorven persoon. Dit is omdat God waarheid is; het vlees dat Hij draagt bezit ook de essentie van God en Zijn gedachten en wat wordt uitgedrukt door Zijn menselijkheid zijn ook de waarheid. … Hoe gewoon, hoe normaal, hoe nederig Gods geïncarneerde vlees ook is, of zelfs hoe zeer de mensen ook op Hem neerkijken, Zijn gedachten over en Zijn houding ten opzichte van de mensheid zijn dingen die geen mens kon bezitten en die geen mens kon imiteren. Hij zal de mensheid altijd waarnemen vanuit het perspectief van goddelijkheid, vanuit de hoogte van Zijn positie als de Schepper. Hij zal de mensheid altijd zien via de essentie en de mentaliteit van God. Hij kan de mensheid absoluut niet zien vanuit de hoogte van een gemiddeld mens en vanuit het perspectief van een verdorven mens. Wanneer mensen naar de mensheid kijken, kijken ze met een menselijke blik en gebruiken ze dingen zoals menselijke kennis en menselijke regels en theorieën als maatstaf. Dit valt binnen het bestek van wat mensen met hun ogen kunnen zien; het valt binnen het bestek dat verdorven mensen kunnen bereiken. Wanneer God naar de mensheid kijkt, kijkt Hij met goddelijke blik en gebruikt Hij Zijn essentie en wat Hij heeft en is als een maatstaf. Dit bestek omvat dingen die mensen niet kunnen zien, en dit is waar de vleesgeworden God en verdorven mensen totaal verschillend zijn. Dit verschil wordt bepaald door de verschillende essenties die de mens en God hebben, het zijn deze verschillende essenties die hun identiteiten en posities bepalen, alsook het perspectief en de hoogte vanuit welke ze dingen zien.

uit ‘Gods werk, Gods gezindheid en God Zelf III’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

Het vlees dat gedragen wordt door de Geest van God is Gods eigen vlees. De Geest van God is superieur; Hij is almachtig, heilig, en rechtvaardig. Evenzo is Zijn vlees ook superieur, almachtig, heilig en rechtvaardig. Dergelijk vlees is enkel in staat om te doen wat rechtvaardig en heilzaam is voor de mensheid, dat wat heilig is, glorieus en machtig, en is niet in staat ook maar iets te doen dat de waarheid of moraliteit en rechtvaardigheid geweld aan doet, laat staan iets dat Gods Geest verraadt. De Geest van God is heilig, en aldus kan Zijn vlees niet verdorven worden door Satan; Zijn vlees is wezenlijk anders dan het vlees van de mens. Want het is de mens, niet God, die verdorven wordt door Satan; Satan zou onmogelijk het vlees van God kunnen verderven.

uit ‘Een heel ernstig probleem: verraad (2)’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

God kan de verdorven mens uit de invloed van Satan redden, maar dit werk kan niet rechtstreeks door de Geest van God worden volbracht. Het kan alleen door het vlees dat de Geest van God draagt worden verricht, door Gods geïncarneerde vlees. Dit vlees is zowel mens als God. Het is een mens met een normale menselijkheid en het is God met een volledige goddelijkheid. En al is dit vlees niet de Geest van God en is het heel anders dan de Geest, het is toch de vleesgeworden God Zelf die de mens redt, Hij die zowel Geest als vlees is. Hoe Hij ook wordt genoemd, uiteindelijk is het God zelf die de mensheid redt. De Geest van God is immers onafscheidelijk van het vlees en het werk van het vlees is ook het werk van de Geest van God. Dit werk wordt alleen niet gedaan met de identiteit van de Geest, maar met de identiteit van het vlees.

uit ‘De verdorven mensheid heeft de redding van de vleesgeworden God harder nodig’ in ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

(Geselecteerde passage uit Gods woord)

Het wezen van Christus is gehoorzaamheid aan de wil van de hemelse Vader

De vleesgeworden God heet Christus, en Christus is het vlees aangekleed door de Geest van God. Dit vlees is als van geen ander mens van vlees. Dit verschil is er, omdat Christus niet van vlees en bloed is, maar de belichaming van de Geest is. Hij bezit zowel normale menselijkheid als volledige goddelijkheid. Geen mens bezit Zijn goddelijkheid. Zijn normale menselijkheid draagt al Zijn normale lijfelijke handelingen, terwijl Zijn goddelijkheid het werk van God Zelf uitvoert. Maar zowel Zijn menselijkheid als Zijn goddelijkheid onderwerpen zich aan de wil van de Vader in de hemel. Het wezen van Christus is de Geest, dat wil zeggen de goddelijkheid. Daarom is Zijn wezen het wezen van God Zelf; dit wezen staat Zijn eigen werk niet in de weg, en Hij zou met geen mogelijkheid ook maar iets kunnen doen dat Zijn eigen werk teniet zal doen of woorden spreken die tegen Zijn wil ingaan. Daarom zou de vleesgeworden God absoluut nooit iets doen dat Zijn eigen management in de weg staat. Dit is wat alle mensen zouden moeten begrijpen. De essentie van het werk van de Heilige Geest is de mens te redden en is in het belang van Gods eigen management. En zo is ook het werk van Christus de mens te redden, wat in het belang is van Gods wil. Omdat God vlees wordt, neemt Hij Zijn wezen aan in Zijn vlees, zodat Zijn vlees volstaat om Zijn werk te ondernemen. Daarom wordt tijdens Zijn incarnatie al het werk van Gods Geest vervangen door het werk van Christus en centraal in het werk gedurende de hele periode van de incarnatie is het werk van Christus. Het kan niet vermengd worden met werk uit welke andere tijd dan ook. En omdat God vlees wordt, werkt Hij in de identiteit van Zijn vlees; omdat Hij in het vlees is gekomen, voltooit Hij het werk dat Hij moet doen in het vlees. Of het nu de Geest van God is, of het is Christus, beiden zijn God Zelf, en Hij verricht het werk dat Hij moet verrichten en voert de bediening uit die Hij uit moet voeren.

Het wezen van God Zelf oefent gezag uit, maar Hij kan Zich volledig onderwerpen aan het gezag dat van Hem uitgaat. Of het nu het werk van de Geest is, of het werk van het vlees, er is geen conflict. De Geest van God heeft het gezag over de hele schepping. Het vlees met het wezen van God heeft ook gezag, maar de vleesgeworden God kan al het werk verrichten dat luistert naar de wil van de Vader in de hemel. Geen mens kan dit bereiken of begrijpen. God is Zelf gezag, maar Zijn vlees kan Zich aan Zijn gezag onderwerpen. Dit is de diepere betekenis van de woorden: “Christus gehoorzaamt de wil van God de Vader.” God is een Geest en kan het reddingswerk verrichten, zoals God ook mens kan worden. Trouwens, God verricht Zijn eigen werk: Hij onderbreekt niet en grijpt niet in, laat staan dat Hij onderling tegenstrijdige werken verricht, want het wezen van het werk door de Geest en door het vlees zijn gelijk. Of het nu de Geest of het vlees is, beiden werken om één wil te vervolbrengen en om hetzelfde werk te beheren. Hoewel de Geest en het vlees twee niet te vergelijken kwaliteiten hebben, zijn zij in wezen hetzelfde: beiden bezitten het wezen van God Zelf en de identiteit van God Zelf. In God Zelf zijn er geen ongehoorzame elementen; Zijn wezen is goed. Hij is de uiting van schoonheid en goedheid, en van alle liefde. Zelfs in het vlees doet God niets wat God de Vader niet gehoorzaamt. Zelf wanneer Hij Zijn leven ervoor moet opofferen, wil Hij dit van ganser harte, en maakt geen andere keuze. In God zijn er geen elementen van zelfingenomenheid en gewichtigheid, of van ijdelheid of hoogmoed; Hij heeft geen onbetrouwbare elementen. Alles wat niet gehoorzaamt aan God komt van Satan; Satan is de bron van alles wat lelijk en kwaad is. De reden dat de mens kwaliteiten heeft zoals die van Satan, is omdat de mens door Satan is verdorven en bewerkt. Christus is niet verdorven door Satan, daarom heeft Hij alleen eigenschappen van God en geen enkele van Satan. Hoe zwaar het werk ook is, of hoe zwak het vlees, zolang God in het vlees leeft zal Hij nooit iets doen dat het werk van God Zelf in de weg staat, laat staan dat Hij in ongehoorzaamheid de wil van God de Vader verloochent. Hij lijdt liever vleselijke pijn dan dat Hij tegen de wil van God de Vader ingaat; het is precies zoals Jezus in Zijn gebed zei: “Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan: doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt.” De mens kiest, maar Christus niet. Hoewel Hij de identiteit van God Zelf heeft, zoekt Hij toch steeds de wil van God de Vader, en vervult Hij de taak die God de Vader aan Hem heeft toevertrouwd vanuit het perspectief van het vlees. Een mens kan dit nooit bereiken. Wat van Satan komt, kan nooit het wezen van God bezitten, het kan alleen ongehoorzaam zijn en opstandig tegen God. Het kan God niet geheel gehoorzamen, laat staan gewillig de wil van God volgen. Met uitzondering van Christus kunnen alle mensen tegen God in opstand komen, en niemand kan direct het werk op zich nemen dat door God aan hem is toevertrouwd; er is er niet één die Gods management als zijn of haar eigen plicht kan beschouwen. De onderwerping aan de wil van God de Vader is het wezen van Christus; ongehoorzaamheid aan God is het kenmerk van Satan. Deze twee eigenschappen zijn onverenigbaar, en wie de eigenschappen van Satan heeft kan geen Christus worden genoemd. De reden dat de mens het werk van God niet in Zijn plaats kan vervullen is dat de mens geen enkel deel van het wezen van God bezit. De mens werkt voor God in zijn eigen belang of in het belang van zijn of haar toekomstperspectief, maar Christus werkt om de wil van God de Vader te doen.

De menselijkheid van Christus is onderworpen aan Zijn goddelijkheid. Hoewel Hij in het vlees is, is Zijn menselijkheid niet helemaal identiek aan die van een mens van vlees. Hij heeft Zijn eigen unieke karakter, en ook dat is onderworpen aan Zijn goddelijkheid. Zijn goddelijkheid kent geen zwakte; de zwakte van Christus heeft betrekking op Zijn menselijkheid. Tot op zekere hoogte beperkt deze zwakheid Zijn goddelijkheid, maar dergelijke beperkingen blijven binnen een bepaald gebied en een zekere tijd, en zijn niet onbegrensd. Als de tijd gekomen is om het werk van Zijn goddelijkheid uit te voeren, gebeurt dit ondanks Zijn menselijkheid. De menselijkheid van Christus wordt geheel aangestuurd door Zijn goddelijkheid. Behalve het normale leven van Zijn menselijkheid worden alle andere handelingen van Zijn menselijkheid beïnvloed, geraakt en aangestuurd door Zijn goddelijkheid. Hoewel Christus menselijkheid bezit, staat dit het werk van Zijn goddelijkheid niet in de weg. Dit is nu juist omdat de menselijkheid van Christus wordt aangestuurd door Zijn goddelijkheid; hoewel Zijn menselijkheid niet volgroeid is in Zijn gedrag naar anderen, heeft dit geen invloed op het normale werk van Zijn goddelijkheid. Wanneer ik zeg dat Zijn menselijkheid niet verdorven is, bedoel ik dat de menselijkheid van Christus rechtstreeks aangestuurd kan worden door Zijn goddelijkheid, en dat Hij een hoger verstand heeft dan de gewone mens. Zijn menselijkheid is het meest geschikt om door de goddelijkheid van Zijn werk aangestuurd te worden; Zijn menselijkheid kan het beste het werk van de goddelijkheid uitdrukken en zich eraan overgeven. Terwijl God in het vlees werkt, verliest Hij de plicht die een mens in het vlees zou moeten vervullen nooit uit het oog; Hij kan God in de hemel met een zuiver hart aanbidden. Hij heeft het wezen van God, en Zijn identiteit is de identiteit van God Zelf. Alleen omdat Hij op aarde is gekomen en een schepsel is geworden, met het omhulsel van een schepsel, en nu een menselijkheid bezit die Hij voorheen niet had, kan Hij God in de hemel aanbidden. Dit is het wezen van God Zelf en is onnavolgbaar voor de mens. Zijn identiteit is God Zelf. Vanuit het perspectief van het vlees aanbidt Hij God; daarom zijn de woorden “Christus aanbidt God in de hemel” niet fout. Wat Hij van de mens vraagt is nu juist Zijn eigen wezen; Hij heeft alles wat Hij van de mens vraagt al bereikt voordat Hij het hem vraagt. Hij zou nooit iets van anderen eisen waar Hij Zelf onderuit zou kunnen, want dit alles vormt Zijn wezen. Hoe Hij Zijn werk ook uitvoert, Hij zou nooit op een aan God ongehoorzame manier handelen. Wat Hij ook van de mens vraagt, geen vraag is onhaalbaar voor de mens. Het enige wat Hij doet is de wil van God doen in het belang van Zijn management. De goddelijkheid van Christus staat boven alle mensen, daarom is Hij het hoogste gezag over alle schepselen. Dit gezag is Zijn goddelijkheid, dat is, de gezindheid en het wezen van God Zelf, hetgeen Zijn identiteit bepaalt. Hoe normaal Zijn menselijkheid dus ook is, Hij heeft ontegenzeggelijk de identiteit van God Zelf; vanuit welk standpunt Hij ook spreekt en hoe Hij ook de wil van God gehoorzaamt, er kan niet gezegd worden dat Hij God Zelf niet is. Dwaze en onwetende mensen zien de normale menselijkheid van Christus vaak als een gebrek. Hoe Hij het wezen van Zijn goddelijkheid ook kenbaar maakt en openbaart, de mens kan niet accepteren dat Hij Christus is. En hoe meer Christus Zijn gehoorzaamheid en nederigheid laat zien, hoe lichter dwaze mensen over Christus denken. Er zijn er zelfs die een verwerpende en minachtende houding tegenover Hem aannemen, maar wel die ‘grote mannen’ van de verheven plaatjes ter aanbidding op hun tafel zetten. De weerstand tegen en de ongehoorzaamheid aan God van de mensen komt voort uit het feit dat het wezen van de vleesgeworden God zich aan de wil van God onderwerpt en uit de normale menselijkheid van Christus; dit is de bron van de weerstand tegen en de ongehoorzaamheid aan God van de mensen. Als Christus niet de gedaante van Zijn menselijkheid had noch vanuit het perspectief van een schepsel de wil van God de Vader zocht, maar in plaats daarvan een supermenselijkheid bezat, dan zou er waarschijnlijk geen ongehoorzaamheid in de mens bestaan. De reden dat de mens altijd bereid is in een onzichtbare God in de hemel te geloven, is omdat God in de hemel geen menselijkheid heeft en Hij geen enkele eigenschap van een schepsel bezit. De mens heeft daarom altijd de hoogste achting voor Hem, maar stelt zich jegens Christus minachtend op.

Hoewel Christus op aarde namens God Zelf kan werken, komt Hij niet met de bedoeling alle mensen Zijn beeld in het vlees te laten zien. Hij komt niet zodat alle mensen Hem kunnen zien; Hij komt om de mensen bij de hand te nemen en hen een nieuw tijdperk binnen te leiden. De functie van het vlees van Christus is voor het werk van God Zelf, dat wil zeggen, voor het werk van God in het vlees, en niet om het wezen van Zijn vlees volledig begrijpelijk te maken voor de mens. Hoe Hij ook werkt, het is niet onhaalbaar voor het vlees. Hoe Hij ook werkt, Hij werkt in het vlees met een normale menselijkheid, en openbaart het ware gezicht van God niet volledig aan de mens. Daar komt nog bij dat Zijn werk in het vlees nooit zo bovennatuurlijk of onschatbaar is als de mens denkt. Ook al vertegenwoordigt Christus God Zelf in het vlees en voert Hij persoonlijk het werk uit dat God Zelf zou moeten doen, Hij ontkent het bestaan van God in de hemel niet en verkondigt niet koortsachtig Zijn eigen daden. In tegendeel, Hij blijft nederig verborgen in Zijn vlees. Behalve Christus ontberen allen die onterecht claimen Christus te zijn Zijn eigenschappen. Wanneer de arrogantie en zelfverheerlijkende gezindheid van de valse Christussen hiermee wordt vergeleken, wordt het duidelijk wat voor vlees waarlijk Christus is. Hoe onechter zij zijn, hoe meer de valse Christussen opscheppen, en hoe kundiger zij zijn in het tonen van tekenen en het verrichten van wonderen om de mens te misleiden. Valse Christussen hebben geen eigenschappen van God; Christus is niet besmet door een element dat aan een valse Christus toebehoort. God wordt alleen vlees om het werk van het vlees te volbrengen, niet alleen zodat de mens Hem kan zien. Integendeel, Hij laat Zijn werk Zijn identiteit bekrachtigen, en Zijn openbaring Zijn wezen bevestigen. Zijn wezen is niet ongegrond; Zijn identiteit werd niet door Zijn hand in beslag genomen; deze wordt door Zijn werk en Zijn wezen bepaald. Hoewel Hij het wezen van God Zelf bezit en het werk van God Zelf kan doen blijft Hij toch uiteindelijk vlees, in tegenstelling tot de Geest. Hij is niet God met de eigenschappen van de Geest; Hij is God met het omhulsel van vlees. Dus, hoe normaal of zwak Hij ook is, en hoe Hij ook de wil van God de Vader zoekt, Zijn goddelijkheid is ontegenzeggelijk. Er is niet alleen een normale menselijkheid met haar zwakheden in de vleesgeworden God; eerder nog is er de heerlijkheid en ondoorgrondelijkheid van Zijn goddelijkheid, evenals al Zijn daden in het vlees. Daarom bestaan zowel menselijkheid als goddelijkheid feitelijk en praktisch in Christus. Dit is niet in het minst leeg of bovennatuurlijk. Hij komt naar de aarde met het voornaamste doel om werk te verrichten; het is noodzakelijk dat Hij een normale menselijkheid bezit om het werk op aarde te kunnen verrichten, anders, hoe groot de kracht van Zijn goddelijkheid ook is, kan haar oorspronkelijke functie niet goed gebruikt worden. Hoewel Zijn menselijkheid heel belangrijk is, is het niet Zijn wezen. Zijn wezen is de goddelijkheid, en daarom is het moment dat Hij Zijn bediening op aarde begint uit te voeren het moment dat Hij het wezen van Zijn goddelijkheid kenbaar begint te maken. Zijn menselijkheid bestaat slechts om het normale leven van Zijn vlees te ondersteunen, zodat Zijn goddelijkheid het werk normaal kan uitvoeren in het vlees; het is de goddelijkheid die Zijn werk geheel aanstuurt. Als Zijn werk klaar is, heeft Hij Zijn bediening volbracht. Wat de mens zou moeten kennen is de omvang van Zijn werk, en het is door Zijn werk dat Hij Zich door de mens laat kennen. Tijdens Zijn werk laat Hij het wezen van Zijn goddelijkheid helemaal zien, hetgeen niet een gezindheid is die door menselijkheid is besmet, of een wezen dat bezoedeld is door gedachten of menselijk gedrag. Als de tijd komt dat Zijn hele bediening ten einde is gekomen, heeft Hij de gezindheid die Hij kenbaar moest maken al perfect en compleet tot uitdrukking gebracht. Zijn werk is niet in opdracht van een mens; ook de uitdrukking van Zijn gezindheid is helemaal vrij en wordt niet door het verstand beheerst of door gedachten bewerkt, maar wordt op natuurlijke wijze geopenbaard. Geen mens kan dit bereiken. Zelfs in een moeilijke omgeving of als de omstandigheden het niet toelaten kan Hij Zijn gezindheid op het juiste moment laten zien. Hij die Christus is laat het wezen van Christus zien, zij die Christus niet zijn hebben de gezindheid van Christus niet. Dus zelfs als iedereen zich tegen Hem verzet of opvattingen heeft over Hem, dan nog kan niemand op basis van de opvattingen van de mens ontkennen dat de gezindheid die door Christus wordt getoond de gezindheid van God is. Allen die met een zuiver hart Christus volgen of vastbesloten op zoek zijn naar God zullen toegeven dat Hij Christus is op basis van de uitdrukking van Zijn goddelijkheid. Ze zouden nooit Christus ontkennen op basis van een aspect van Hem dat niet beantwoordt aan de opvattingen van de mens. Ook al is de mens dwaas, toch weet hij wat de wil van de mens is en wat van God komt. Het is meer dat veel mensen zich alleen met hun eigen oogmerk opzettelijk tegen Christus verzetten. Als dit niet zo was, zou geen enkel mens een reden hebben om het bestaan van Christus te ontkennen, want de goddelijkheid die Christus laat zien bestaat wel degelijk, en iedereen kan Zijn werk met het blote oog waarnemen.

Het werk en de uitdrukking van Christus bepalen Zijn wezen. Hij is in staat met een zuiver hart het aan Hem toevertrouwde te volbrengen. Hij is in staat God in de hemel te aanbidden met een zuiver hart, en met een zuiver hart de wil van God de Vader zoeken. Dit is allemaal bepaald door Zijn wezen. En zo wordt ook Zijn natuurlijke openbaring door Zijn wezen bepaald; de reden waarom Zijn natuurlijke openbaring zo wordt genoemd is dat Zijn uitdrukking geen imitatie is, of het resultaat van onderwijs door mensen, of van vele jaren van menselijke beschaving. Hij heeft het niet geleerd of Zich ermee getooid; in tegendeel, het is Hem eigen. De mens kan Zijn werk, Zijn uitdrukking, Zijn menselijkheid en het hele leven van Zijn normale menselijkheid ontkennen, maar niemand kan ontkennen dat Hij met een zuiver hart God in de hemel aanbidt; niemand kan ontkennen dat Hij gekomen is om de wil van de hemelse Vader te vervullen, en niemand kan de oprechtheid ontkennen waarmee Hij God de Vader zoekt. Hoewel Zijn beeld de zintuigen niet behaagt, Zijn woorden geen buitengewone indruk maken, en Zijn werk niet zo wereldschokkend of hemelbestormend is als de mens zich voorstelt, is Hij toch echt Christus die de wil van de hemelse Vader met een zuiver hart volbracht, Zich volledig onderwerpt aan de hemelse Vader en tot de dood gehoorzaamt. Dit komt doordat Zijn wezen het wezen van Christus is. De mens vindt het moeilijk deze waarheid te geloven, maar ze bestaat wel. Als de bediening van Christus helemaal is volbracht, zal de mens aan Zijn werk kunnen zien dat Zijn gezindheid en Zijn wezen de gezindheid en het wezen van God in de hemel vertegenwoordigt. De optelling van al Zijn werk kan op dat moment bevestigen dat Hij inderdaad het vlees, wat het Woord wordt, anders dan een mens van vlees en bloed. Iedere stap van het werk van Christus op aarde heeft een representatieve betekenis, maar de mens die het eigenlijke werk van iedere stap ervaart kan de betekenis van Zijn werk niet begrijpen. Dit geldt in het bijzonder voor de diverse stappen van het werk dat de tweede vleesgeworden God heeft uitgevoerd. De meeste mensen die alleen de woorden van Christus gehoord of gezien hebben maar Hemzelf nooit hebben gezien, hebben geen notie van Zijn werk; zij die Christus hebben gezien en Zijn woorden hebben gehoord en Zijn werk hebben ervaren, vinden het moeilijk Zijn werk te aanvaarden. Komt dit niet doordat het voorkomen en de normale menselijkheid van Christus bij de mens niet in de smaak vallen? Zij die Zijn werk na het vertrek van Christus hebben aanvaard ervaren deze problemen niet, want zij aanvaarden Zijn werk gewoon en komen niet in contact met de normale menselijkheid van Christus. De mens kan zijn opvattingen over God niet loslaten maar bekijkt Hem intens kritisch; dit komt doordat de mens zich op Zijn voorkomen concentreert en Zijn wezen niet kan herkennen op basis van Zijn werk en Zijn woorden. Als de mens zijn ogen sluit voor het voorkomen van Christus en geen discussie aangaat over de menselijkheid van Christus, en alleen over Zijn goddelijkheid spreekt, waarvan het werk en de woorden onbereikbaar zijn voor ieder mens, dan zullen de opvattingen van de mens half zo belangrijk zijn, zelfs tot op het punt dat al zijn problemen worden opgelost. Tijdens het werk van de vleesgeworden God kan de mens Hem niet verdragen en is hij vol van talrijke opvattingen over Hem, en gevallen van weerstand en ongehoorzaamheid zijn gebruikelijk. De mens kan het bestaan van God niet verdragen, of clementie tonen voor de nederigheid en verborgenheid van Christus, of het wezen van Christus die de hemelse Vader gehoorzaamt vergeven. Daarom kan Hij niet voor eeuwig bij de mens blijven nadat Zijn werk voltooid is, de mens wil Hem immers niet naast zich laten leven. Als de mens Hem geen clementie kan tonen tijdens de periode van Zijn werk, hoe kan de mens dan verdragen dat Hij na het volbrengen van Zijn bediening naast hem leeft en ziet dat de mens Zijn woorden geleidelijk aan gaat ervaren? Zouden veel mensen dan niet door Zijn toedoen vallen? De mens staat alleen toe dat Hij op aarde werkt; verder gaat de clementie van de mens niet. Het is vanwege Zijn werk dat de mens Hem niet al veel eerder van de aarde verbannen heeft, dus hoeveel minder clementie zou de mens tonen als Zijn werk eenmaal klaar is? Zou de mens Hem dan niet ter dood brengen en doodmartelen? Als Hij niet Christus werd genoemd, kon Hij onmogelijk tussen de mensen werken; als Hij niet met de identiteit van God Zelf werkte, maar in plaats daarvan alleen als een gewoon mens, dan zou de mens Hem nog niet één zin laten uitbrengen, laat staan ook maar een klein deel van Zijn werk verdragen. Hij kan dus alleen maar deze identiteit in Zijn werk meedragen. Zijn werk is zoveel krachtiger dan wanneer Hij dit anders had gedaan, want de mens wil graag gehoorzamen aan status en een belangrijke identiteit. Als Hij de identiteit van God Zelf niet met Zich mee zou dragen bij Zijn werk, of als Hij niet als God Zelf zou verschijnen, dan zou Hij helemaal geen kans krijgen het werk te doen. Ondanks het feit dat Hij het wezen van God en het wezen van Christus heeft, geeft de mens Hem geen ruimte om Zijn werk tussen de mensen met gemak uit te voeren. Hij draagt de identiteit van God Zelf in Zijn werk; hoewel dit werk tientallen malen krachtiger is dan werk uitgevoerd zonder die identiteit is de mens nog steeds niet helemaal gehoorzaam aan Hem, want de mens onderwerpt zich alleen aan Zijn status, en niet aan Zijn wezen. Als dit zo is, zou de mens Hem dan voor ten minste slechts één dag in leven kunnen laten wanneer Christus misschien op een dag afstapt van Zijn post? God is bereid met de mens op de aarde te leven zodat Hij de gevolgen kan zien van het werk van Zijn hand in de daaropvolgende jaren. De mens kan echter Zijn verblijf nog niet één dag verdragen, daarom kon Hij het alleen maar opgeven. Het uiterste van de clementie en genade van de mens is al bereikt door God het werk dat Hij onder de mensen moet verrichten en de bediening die Hij volbrengt toe te staan. Hoewel zij die persoonlijk door Hem zijn overwonnen Hem die genade wel tonen, staan ook zij slechts een verblijf toe tot het werk is gedaan, en geen moment langer. Als dit zo is, hoe zit het dan met hen die Hij niet heeft overwonnen? Is het niet juist omdat Hij Christus is in het omhulsel van een gewoon mens, dat de mens de vleesgeworden God zo behandelt? Als Hij alleen de goddelijkheid had en niet een normale menselijkheid, zouden de problemen van de mens dan niet met het grootste gemak worden opgelost? De mens erkent met tegenzin Zijn goddelijkheid en toont geen interesse in Zijn omhulsel van een gewoon mens, ondanks het feit dat Zijn wezen nu juist precies het wezen van Christus is, dat zich aan de wil van de hemelse Vader onderwerpt. In die hoedanigheid zou Hij alleen Zijn werk om onder de mensen te zijn om zowel hun vreugde als verdriet te delen ongedaan kunnen maken, omdat de mens Zijn bestaan niet meer zou kunnen verdragen.

uit ‘Het Woord verschijnt in het vlees’

Hoofdstuk 5 Je moet de waarheden over de incarnatie van God kennen