Tijd

Tijd

I

Een eenzame ziel is van ver gereisd,

polsend naar de toekomst, zoekend naar het verleden,

hard zwoegend, en een droom nastrevend.

Geboren in tranen en vervagend in wanhoop.

Het weet niet waar het vandaan komt of waar het gaat,

zelfs vertrapt, blijft hij volhouden.

Uw komst brengt een einde aan geteisterd stuurloos leven.

Ik krijg hoop in het zicht, en verwelkom het licht van de dageraad.

Ik staar in de mistige verte, ik vang een glimp op van uw vorm.

Dat is de straling, de straling van uw gezicht.

II

Gisteren, afgedreven in een vreemd land,

maar vandaag heb ik mijn weg naar huis teruggevonden.

Doorzeefd met wonden, onmenselijk,

betreur ik dat het leven een droom is.

Uw komst brengt een einde aan geteisterd stuurloos leven.

Ik ben niet langer verdwaald. Ik dwaal niet langer rond.

Ik ben nu thuis. Nu zie ik uw witte gewaad.

Dat is de straling, de straling van uw gezicht.

III

Vele cycli van wedergeboorte, zo veel jaren van wachten,

nu is de Almachtige gekomen.

De eenzame ziel vond zijn weg, en is niet langer somber.

Een droom van duizenden jaren, van duizenden jaren, van duizenden jaren.

Tijd